Bewerkingen, een leuk onderwerp. Maar ik proef toch, en dan ga ik maar voorbij aan de methodologische insluipsels eerder in deze discussie, een strijd tussen 'rekkelijken' en preciezen'. De laatsten gaan uit van de onaantastbaarheid van, in dit geval, compositie en instrumentkeuze en de eersten doen daar niet zo moeilijk over. Het grootste deel van de muziekgeschiedenis hebben de rekkelijken het voor het zeggen gehad. Maar de laatste decennia hebben, niet in het minst door de zoektocht naar de graal van de authenticiteit, de preciezen 'klassieke muziek' (ik weet het, verkeerde omschrijving) verheven c.q. gedegradeerd tot een soort eredienst.
Voor het goede begrip aangaande het volgende: onder het onderwerp 'bewerkingen' valt naar mijn mening het nodige. Dus naast arrangementen (dus reductie maar eveneens de uitbreiding van het oorspronkelijk aantal instrumenten) ook orkestratie.
Bach, Händel en hun tijdgenoten deden daar allemaal niet moeilijk over. Die hergebruikten niet alleen eigen materiaal talloos vaak en op verschillende manieren, maar ook dat van anderen. Zonder bronvermelding, want het leerstuk van de intellectuele eigendom deed nog geen opgeld. Tot overmaat van ramp liet Bach ons in het duister tasten omtrent de wijze van uitvoering van 'Die kunst der Fuge'. Orgel, klavecimbel of is het alleen een verbijsterende oefening in contrapunt waarvan het helemaal niet de bedoeling was die daadwerkelijk uit te voeren?
Maar eigenlijk is de negentiende eeuw de hoofdoorzaak van het ontstaan van bewerkingen. Daar was een op zich goede reden voor. Want als je in die tijd een bepaald stuk wilde horen, moest je wachten tot het ooit werd uitgevoerd. Als het werd uitgevoerd. De enige remedie was zelf spelen. Een aangezien een orkest in huis niet voor iedereen was weggelegd, draaide men hele symfonieën door de gehaktmolen van de pianobewerking. Of viool en piano, fluit en piano dan wel harmonieorkest. En daar keek niemand van op.
En dan was er nog de variant van bijvoorbeeld violisten die graag een bepaald werk wilden uitvoeren dat echter helaas voor alleen voor piano was gecomponeerd. Een bekend voorbeeld is de bewerking van Ysaÿe van Saint-Saëns’ ‘étude en forme d’une valse’. Overigens ontkwam ook Chopin niet aan de arrangeerdrift van Ysaÿe. Hele ballades, walsen en nocturnes gingen er aan. En dat leidde overigens tot uitermate effectvolle, zij het soms hels moeilijk speelbare, resultaten. En voeren de bewerking van Rachmaninoff van de partita voor viool in E van Bach voor piano of de bewerkingen van Bach en Busoni van de chaconne van eveneens Bach tot ontluistering van de laatste? Zou Brahms zich in zijn graf hebben omgedraaid bij de gedachte dat Arnold Schönberg zijn eerste pianokwartet had georkestreerd? En wat te denken van die schitterende arrangementen van Heifetz? Alleen al de preludes en delen uit ‘Porgy and Bess’ van Gershwin maken hem als bewerker onsterfelijk. En wie kent er eigenlijk de originele versie voor piano van de ‘Schilderijententoonstelling’ van Moussorgsky, naast de orkestratie van Ravel? En hoe moet ik aankijken tegen componisten die, na enige tijd, een eigen pianocompositie zelf orkestreerden?
Bij al dat gearrangeer is soms ook sprake van minpunten. Noem het smakeloosheid. Of tijdgebondenheid. De muzikale bewoner van de negentiende eeuw was niet zo dol op werken voor soloviool. Want die waren kennelijk niet 'af'. Dus werden er pianobegeleidingen onder de solosonates en – partita’s van Bach geschoven. Ook de caprices van Paganini ontliepen dat noodlot niet. De bewerking van Auer van de 24e caprice van Paganini leidt overigens wel tot een effectiever, en moeilijker, versie dan het origineel. Maar waarom dan weer een variatie voor solo piano toegevoegd? Het slaat als jeweetwel op Dirk.
Tja en dan de preciezen. Uit het voorgaande kunt u afleiden dat ik niet tot die groep van ‘gekrookte rieters’ behoor. Decennia geleden las ik het blad ‘Luister’. Een maandblad met recensies van, toen nog, platen en geluidsapparatuur. De beoordeling van piano-opnamen was de verantwoordelijkheid van Joop Schrier. Zijn impact als actief musicus bleef overigens beperkt tot het aanraken van de piano in de Dutch Swing College Band, maar dit terzijde. Maar iedere keer als hij een grammofoonplaat van Glenn Gould ter recensie kreeg voorgelegd, weigerde hij ostentatief. Want Bach hoorde op een klavecimbel te worden gespeeld. Voor de goede orde: het soort klavecimbel dat in die tijd werd gebruikt was onveranderlijk een Neupert. Een klavecimbel waarvan Thomas Beecham ooit beweerde dat het geluid ervan hem deed denken aan ‘two skeletons copulating on a tin roof’. Maar Bach op een piano is inmiddels volstrekt geen punt van discussie meer.
Theodor Kirchner heeft ooit eens de twee strijksextetten van Brahms bewerkt voor trio. ‘Schande’ hoor ik mogelijk roepen. Maar als integere musici als Philip Hirschhorn, Alexander Rabinowitsch en David Geringas er volstrekt geen probleem mee hebben die bewerkingen uit te voeren, moet ik dan leerstellig doen of het beeld van een (waarschijnlijk) boze oom Brahms oproepen? Brahms is trouwens allang dood.
Muziek verdient een integere benadering en uitvoering. En dat een componist kiest voor een bepaalde instrumentatie, is een belangrijk uitgangspunt. Maar om daar nou zo sancrosanct over te gaan lopen doen, ach.
Hopf