Je hebt experts en experts. Ik bedoel daarmee te zeggen dat er experts zijn waarvan je op basis van hun training, ervaring, inzicht, toetsbaarheid bij de totstandkoming van hun opvatting en voor mijn part ‘Fingerspitzengefühl’, mag aannemen dat ze het bij het rechte eind hebben. Daarnaast heb je, al dan niet zelfbenoemde, experts ten aanzien van wie dat geloof minder solide is.
Een illustratief voorbeeld biedt de groep van experts op het gebied van de schilderkunst. En dan heb ik niet eens zozeer de schrijvers van in onleesbaar Nederlands gestelde tentoonstellingscatalogi voor ogen, als wel de deskundigen die voor ons bepalen of een schilderij inderdaad van de hand van een bepaalde schilder is. Een wat ouder voorbeeld betreft de aanschaf van de ‘Emmaüsgangers’ op advies van de grootste Vermeer-kenner van dat moment, namelijk Bredius. Maar meer recent zijn de bevindingen van het Rembrandt Research Project onder leiding van Rembrandtkenner Ernst van de Wetering. In één klap zeventig Rembrandts er bij. Die dus in een eerder stadium door kwalitatief kennelijk wat mindere experts waren gedegradeerd. Dit nu is het gevolg van voortschrijdend inzicht bij deze en andere Rembrandt kenners, zo oordeelt de expert van de Volkskrant. Tja, zo heb je altijd gelijk.
Iets vergelijkbaars, u voelde het wellicht al aankomen, doet zich voor bij experts op het gebied van de vaststelling van de authenticiteit van strijkinstrumenten. ‘Oude strijkinstrumenten’, uiteraard. Ik heb het overigens over ‘experts’ en niet ‘de experts’, want ik twijfel nou ook weer niet aan ieders vakkundigheid of integriteit in dezen.
Een aardige ingang in dit verband is de herkenning van falsificaties. Want hoe stel je nou vast of een instrument ‘echt’ is? Of nog echt, want er is in de afgelopen eeuwen heel wat aan die instrumentenverprutst gerepareerd. Al dan niet oordeelkundig. En eerlijk gezegd ben ik a priori ook niet zo onder de indruk van het resultaat van laboratoriumonderzoek naar (samenstelling van) de lak dan wel de keuze, kwaliteit en leeftijd van het hout. Want de bevindingen daarvan leiden ook niet één op één naar de naam van de bouwer. Of één van zijn leerlingen. Hooguit tot een conclusie in de trant van dat het nogal lijkt op andere instrumenten van een bepaalde bouwer. Of afkomstig zou kunnen zijn 'uit de school van'.
Een bijkomende beperking raakt aan het feit dat de geschiedenis uiterst begaafde fraudeurs heeft gekend. Vuillaume was (en is) een goed voorbeeld. Want naast zeer goede instrumenten gebouwd onder eigen naam, is ook een aantal ‘oude Italianen’ van zijn hand bekend. Voor een deel, het behoeft geen betoog, lange tijd onopgemerkt door de experts. En dan waren er lieden die met behulp van meerdere beschadigde Stradivarius violen er in slaagden uit de restanten hiervan een ‘nieuwe’ Stradivarius te vervaardigen. Maar eerlijk gezegd gaan mijn gedachten meer uit naar de hogeschool van de falsificatie. En dan scoren de broers William, Charles en Arthur Voller bijzonder hoge ogen.
De gebroeders Voller, ondanks hun Duits aandoende achternaam rasechte Engelsen, begonnen rond 1890 hun loopbaan in het Londense atelier van George Hart and son. Daar viel hun vakmanschap al snel op, onder meer tot uitdrukking komend in superieure kopieën van de d’Egville en de ‘Leduc’ van del Gesu. Maar deze instrumenten werden door Hart onveranderd voorzien van de aantekening ‘kopie’.
Het gaat fout zodra de broers zich rond 1900 zelfstandig vestigen. Hun instrumenten, dus ook de copieën van oude violen, worden verhandeld via Vincent Cooper, een niet al te scrupuleuze handelaar, die er geen been in ziet de instrumenten als authentiek te verkopen. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de ‘Balfour’ Stradivarius. Door de Vollers verkocht aan Cooper voor £45 en door de laatste ter verkoop aangeboden voor £ 2.000, geholpen door het feit dat zowel Chanot als Chardon het instrument als echt waardeerden. Het instrument ging uiteindelijk weg voor de vriendenprijs van £ 2.500. Enige tijd later ontving de koper echter een anonieme brief waarin gewag werd gemaakt van het feit dat het instrument niet ‘echt’ was en dat de schrijver wel wist wie de bouwer was. De herkomst van de brief is bij mijn weten nooit duidelijk geworden maar de zaak is vervolgens, overigens buiten de rechtbank om, geschikt.
Maar kopers hadden niet altijd geluk. Alfred Hill onderzocht in 1913 in Duitsland vier violen van Stradivarius waarvan er evenwel drie achteraf moesten worden toegerekend aan de broers Voller.
De conclusie die de broers Voller hieruit trokken was dat zowel de violen van Stradivarius als die van Guarnerius zo goed waren gedocumenteerd, dat het geen zin had met nieuwe vondsten van beiden op de proppen te komen. Maar aangezien dat niet gold voor wat mindere goden (waarvan de prijzen in die tijd ook al aardig aantrokken), werd de aandacht vervolgens verlegd naar violen van, onder meer, Gagliano en Guadagnini.
De hoge kwaliteit van hun werk wordt door William Henley als volgt omschreven: “Perfect replicas of any model, exhibiting with matchless exactitude the skill and the imagination of the renowned Vuillaume. Appearance of wear and age marvelously accomplished. Superior in every way (..). Smallest details perfectly represented and very skilfully finished. Instruments splendidly desirable as regards the picturesque, and certainly adequate for all requirements of first-class players. (..) Finest wood carefully selected for its accoustic properties”.
Het is dan ook begrijpelijk dat violen van de drie broers tegenwoordig veelgevraagd zijn. Zelfs zodanig dat, o ironie, er inmiddels al kopieën van hun violen in omloop zijn.
Er moet nog worden gewezen op een treurig aspect. Joodse Duitsers was het in de jaren dertig van de vorige eeuw bij emigratie niet toegestaan geld mee te nemen (het lag wat gecompliceerder, maar ik vat het maar samen). Een manier om aan die beperking te ontsnappen was door een dure viool te kopen die wel het land uit mocht. Er werd dan vaak een dure ‘Italiaan’ gekocht, die evenwel het werk was geweest van een Voller. Wellicht een verklaring voor het feit dat er in de USA nogal wat Voller violen voorkomen. Overigens kan dit de broers achteraf niet worden aangerekend, want hun atelier sloot in 1927.
Overigens blijft het de vraag hoeveel ‘Oude Italianen’, ondanks alle expertise op dit punt, er nog steeds in omloop zijn, die hun leven evenwel zijn begonnen in het Londense atelier in Streatham van de broers Voller.
Ronald
Een illustratief voorbeeld biedt de groep van experts op het gebied van de schilderkunst. En dan heb ik niet eens zozeer de schrijvers van in onleesbaar Nederlands gestelde tentoonstellingscatalogi voor ogen, als wel de deskundigen die voor ons bepalen of een schilderij inderdaad van de hand van een bepaalde schilder is. Een wat ouder voorbeeld betreft de aanschaf van de ‘Emmaüsgangers’ op advies van de grootste Vermeer-kenner van dat moment, namelijk Bredius. Maar meer recent zijn de bevindingen van het Rembrandt Research Project onder leiding van Rembrandtkenner Ernst van de Wetering. In één klap zeventig Rembrandts er bij. Die dus in een eerder stadium door kwalitatief kennelijk wat mindere experts waren gedegradeerd. Dit nu is het gevolg van voortschrijdend inzicht bij deze en andere Rembrandt kenners, zo oordeelt de expert van de Volkskrant. Tja, zo heb je altijd gelijk.
Iets vergelijkbaars, u voelde het wellicht al aankomen, doet zich voor bij experts op het gebied van de vaststelling van de authenticiteit van strijkinstrumenten. ‘Oude strijkinstrumenten’, uiteraard. Ik heb het overigens over ‘experts’ en niet ‘de experts’, want ik twijfel nou ook weer niet aan ieders vakkundigheid of integriteit in dezen.
Een aardige ingang in dit verband is de herkenning van falsificaties. Want hoe stel je nou vast of een instrument ‘echt’ is? Of nog echt, want er is in de afgelopen eeuwen heel wat aan die instrumenten
Een bijkomende beperking raakt aan het feit dat de geschiedenis uiterst begaafde fraudeurs heeft gekend. Vuillaume was (en is) een goed voorbeeld. Want naast zeer goede instrumenten gebouwd onder eigen naam, is ook een aantal ‘oude Italianen’ van zijn hand bekend. Voor een deel, het behoeft geen betoog, lange tijd onopgemerkt door de experts. En dan waren er lieden die met behulp van meerdere beschadigde Stradivarius violen er in slaagden uit de restanten hiervan een ‘nieuwe’ Stradivarius te vervaardigen. Maar eerlijk gezegd gaan mijn gedachten meer uit naar de hogeschool van de falsificatie. En dan scoren de broers William, Charles en Arthur Voller bijzonder hoge ogen.
De gebroeders Voller, ondanks hun Duits aandoende achternaam rasechte Engelsen, begonnen rond 1890 hun loopbaan in het Londense atelier van George Hart and son. Daar viel hun vakmanschap al snel op, onder meer tot uitdrukking komend in superieure kopieën van de d’Egville en de ‘Leduc’ van del Gesu. Maar deze instrumenten werden door Hart onveranderd voorzien van de aantekening ‘kopie’.
Het gaat fout zodra de broers zich rond 1900 zelfstandig vestigen. Hun instrumenten, dus ook de copieën van oude violen, worden verhandeld via Vincent Cooper, een niet al te scrupuleuze handelaar, die er geen been in ziet de instrumenten als authentiek te verkopen. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de ‘Balfour’ Stradivarius. Door de Vollers verkocht aan Cooper voor £45 en door de laatste ter verkoop aangeboden voor £ 2.000, geholpen door het feit dat zowel Chanot als Chardon het instrument als echt waardeerden. Het instrument ging uiteindelijk weg voor de vriendenprijs van £ 2.500. Enige tijd later ontving de koper echter een anonieme brief waarin gewag werd gemaakt van het feit dat het instrument niet ‘echt’ was en dat de schrijver wel wist wie de bouwer was. De herkomst van de brief is bij mijn weten nooit duidelijk geworden maar de zaak is vervolgens, overigens buiten de rechtbank om, geschikt.
Maar kopers hadden niet altijd geluk. Alfred Hill onderzocht in 1913 in Duitsland vier violen van Stradivarius waarvan er evenwel drie achteraf moesten worden toegerekend aan de broers Voller.
De conclusie die de broers Voller hieruit trokken was dat zowel de violen van Stradivarius als die van Guarnerius zo goed waren gedocumenteerd, dat het geen zin had met nieuwe vondsten van beiden op de proppen te komen. Maar aangezien dat niet gold voor wat mindere goden (waarvan de prijzen in die tijd ook al aardig aantrokken), werd de aandacht vervolgens verlegd naar violen van, onder meer, Gagliano en Guadagnini.
De hoge kwaliteit van hun werk wordt door William Henley als volgt omschreven: “Perfect replicas of any model, exhibiting with matchless exactitude the skill and the imagination of the renowned Vuillaume. Appearance of wear and age marvelously accomplished. Superior in every way (..). Smallest details perfectly represented and very skilfully finished. Instruments splendidly desirable as regards the picturesque, and certainly adequate for all requirements of first-class players. (..) Finest wood carefully selected for its accoustic properties”.
Het is dan ook begrijpelijk dat violen van de drie broers tegenwoordig veelgevraagd zijn. Zelfs zodanig dat, o ironie, er inmiddels al kopieën van hun violen in omloop zijn.
Er moet nog worden gewezen op een treurig aspect. Joodse Duitsers was het in de jaren dertig van de vorige eeuw bij emigratie niet toegestaan geld mee te nemen (het lag wat gecompliceerder, maar ik vat het maar samen). Een manier om aan die beperking te ontsnappen was door een dure viool te kopen die wel het land uit mocht. Er werd dan vaak een dure ‘Italiaan’ gekocht, die evenwel het werk was geweest van een Voller. Wellicht een verklaring voor het feit dat er in de USA nogal wat Voller violen voorkomen. Overigens kan dit de broers achteraf niet worden aangerekend, want hun atelier sloot in 1927.
Overigens blijft het de vraag hoeveel ‘Oude Italianen’, ondanks alle expertise op dit punt, er nog steeds in omloop zijn, die hun leven evenwel zijn begonnen in het Londense atelier in Streatham van de broers Voller.
Ronald
Laatst bewerkt: