Ja, dat klopt. Voor violen wordt dat wel gehanteerd, maar ik weet niet waarop dit is gebaseerd en wat de achterliggende gedachte hiervan is. Mijn vraag zou dan zijn: waarom bijvoorbeeld geen 4:5? Het is eigenlijk ook wel vreemd want een bovenblad bijvoorbeeld, kan een heel verschillende dichtheid hebben en dus ook een heel andere soortelijke massa en dus ander gewicht bij eenzelfde dikte(verdeling).
Bij altviolen lijkt me dat deze verhouding nóg onpraktischer wordt, omdat niet alleen er veel variatie heerst in de modellen maar door ook veel verschillen in de breedte treden er automatisch ook verschillen in de dikteverdeling op. Die verhouding gaat ook helemaal mank wanneer wordt afgezien van kwartiers gezaagd esdoorn voor een achterblad en men voor een warmere klank ‘dosse gezaagd’ hout neemt:
Door de geringere sterkte moet dat hout dan dikker worden genomen en dat heeft grote invloed op de gewichtsverhouding.
Het is ook maar de vraag of er zo veel waarde gehecht moet worden aan die gewichtsverhouding, ook bij violen. Het enige wat mogelijk van belang kan zijn is de gegevens opslaan in een database om daar mogelijk later een bepaalde correlatie uit te kunnen halen. Maar ja, wat ga je dan met elkaar laten correleren? In principe kan men bijna alles met elkaar in verband brengen. Zo kan men de eigen schoenmaat laten correleren met het aantal gerookte sigaretten (tenminste wanneer er gerookt wordt): er komt altijd wel een correlatie uit! Maar die is -zeker in dit voorbeeld- nietszeggend.
Er zijn ook veel bouwers die de ‘tap-toon’ registreren en naar een bepaalde frequentie toe werken door materiaal weg te nemen. De een vindt het onzin, kan er niets mee en een ander bouwt zijn hele arsenaal er mee.
Ik hanteer het gegeven dat ieder stuk hout net even weer anders is en dat je een dikteverdeling uitvoert die past of behoort bij het stuk hout dat dienst gaat doen als klankbord. Dat betekent dat er geen standaard gewicht is voor een boven- of onderblad. Natuurlijk geeft een groot gewicht aan dat het blad vermoedelijk nog te dik is, maar dat kan ook zonder weging gemakkelijk worden waar genomen: de flexibiliteit is vrij eenvoudig te testen door buiging.
Je moet ieder blad weer zélf vormgeven met die diktes en die verdelingen die bij dát stuk hout horen! Alleen zo kom je het dichtst bij het gewenste resultaat. Ikzelf noteer wel de eigenfrequentie van de afzonderlijke bladen en weeg ze. Zo krijg je een heel goed overzicht wat er gebeurt met de frequentie als functie van het gewicht. Wanneer dat wordt uitgezet in een Excel grafiek, kan al snel worden gezien wanneer een verdere materiaalafname (dunner maken van een blad) geen zin meer heeft! Daarnaast combineer ik het resultaat van de aanwezigheid van boventonen bij het bekloppen van de bladen met de dikte die er op dat moment is. Je kunt de bladen ook té dun maken en dan is er naast scheuren veel kans op wolftonen.
Frits