Van ‘authentieke’ strijkinstrumenten en strijkstokken heb ik niet al te veel kaas gegeten. Ik heb weliswaar, zij het jaren geleden in Maastricht en gescheiden door drie centimeter glas, oog in oog gestaan met een authentieke Amati (vraag me niet welke), maar ik zag voornamelijk gewoon een viool. Tja, die hals zat er wat anders aan …………………. Dus of die achteraf gebouwde kopieën (of terug veranderde originelen) historisch juist zijn dan wel gebaseerd op schilderijen van ‘Hollandsche Meesters’, onttrekt zich aan mijn waarneming. Wat ik mij overigens wel afvraag na lezing van de zoveelste recensie waarin weer het ‘briljante karakter’ van die of gene oude Italiaan ten tonele wordt gevoerd is het volgende: ‘Zou dat ding met de snaren en, vooral, de stemming van toen ook zo briljant hebben geklonken? De meeste kopieën van barokinstrumenten laten mij namelijk iets anders geloven.
Maar om eerlijk te zijn heb ik een ander soort ‘authentiek’ voor ogen, namelijk authentiek musiceren. Ofwel musiceren ‘in de geest van de componist’. Sommigen, waaronder muziekrecensenten, hebben daar kennelijk een duidelijk en vastomlijnd beeld van. En nee, ik ga het niet hebben over orkestjes die staand dan wel zittend musiceren, strijkers die strijkstokken op een wat ongelukkige manier vasthouden, ensembles waarin het gebruik van schouder- en/of kinsteunen tot ontslag op staande voet leidt dan wel symmetrische of a-symmetrische koren in de Mattheus-passie van Bach. Nee, mijn aandacht werd kortgeleden getrokken door een uitvoering van vioolsonates van Corelli door Elizabeth Wallfisch. Ik heb die sonates meer dan vijftig jaar geleden ook gespeeld, en wat mij is bijgebleven is het wat spaarzame notenbeeld. De verklaring was en is dat Corelli die muziek bij uitvoering zelf ruimschoots versierde maar die versieringen niet opschreef. Je schreef ook geen basso continuo-partijen uit: musici waren ervaren genoeg om dat ter plekke toe te verzinnen. Maar de bewerker van ‘mijn’ Corelli-sonates (Günther Kehr) had daar allemaal geen boodschap aan, dus soberheid troef.
Zo niet mevrouw Wallfisch, want die stopt die stukken vol met versieringen. Erg druk, allemaal, dat wel. Maar het zal musicologisch wel verantwoord zijn. Denk ik dan maar. Maar authentiek? Strikt genomen was alleen de uitvoering van Corelli zelf authentiek, met dien verstande dat het de vraag is of Corelli iedere keer hetzelfde speelde. Want het is een feit dat ‘authenticiteit’ niet zo was besteed aan musici uit de Barok. In dat verband trekt het de aandacht dat Bach wel de moeite heeft genomen de versieringen in de langzame delen van zijn solosonates uit te schrijven.
Overigens hoeven we niet zover terug te gaan. De nog jonge Bronislav Huberman speelde het vioolconcert van Brahms in de aanwezigheid van de componist. Die daar, in het algemeen niet gehinderd door een al te toeschietelijke aard, bijzonder tevreden mee was. Uiteraard is er van die uitvoering geen opname. Maar als je hoort hoe Huberman dit concert op een later moment uitvoerde, is het de vraag of hij de muziekkritiek van nu zou hebben overleefd. Want die beroepsbeoefenaars weten kennelijk beter hoe Brahms moet worden uitgevoerd dan Brahms himself. Maar ook opnamen (pianorollen) opgenomen door Mahler en Ravel laten opvattingen horen waarmee geen dirigent nu meer zou wegkomen.
Ik wil niet uitsluiten dat er in de loop van de eeuwen fouten in de uitvoeringspraktijk zijn geslopen. Als voorbeeld: de uitvoering van het derde Brandenburg concert van Bach door de volledige strijkersgroep van het Berlijns Philharmonisch orkest onder Furtwängler klinkt werkelijk aan geen kant. En niet minder ‘verbeteringen’ aangebracht door Mahler en Wagner in symfonieën van van Beethoven. Van Klemperer hebben we geleerd dat als je precies uitvoert wat er staat, de meeste composities niet behoeven te worden verbeterd. Dus geen interpretatie, maar AUTHENTICITEIT. Dat hij zelf ook niet met zijn vingers van het slot van de derde symfonie van Mendelssohn af kon blijven, zij hem dan maar vergeven. Zeker niet als je bedenkt dat Mendelssohn daar zelf ook niet tevreden over was.
Hopf
Maar om eerlijk te zijn heb ik een ander soort ‘authentiek’ voor ogen, namelijk authentiek musiceren. Ofwel musiceren ‘in de geest van de componist’. Sommigen, waaronder muziekrecensenten, hebben daar kennelijk een duidelijk en vastomlijnd beeld van. En nee, ik ga het niet hebben over orkestjes die staand dan wel zittend musiceren, strijkers die strijkstokken op een wat ongelukkige manier vasthouden, ensembles waarin het gebruik van schouder- en/of kinsteunen tot ontslag op staande voet leidt dan wel symmetrische of a-symmetrische koren in de Mattheus-passie van Bach. Nee, mijn aandacht werd kortgeleden getrokken door een uitvoering van vioolsonates van Corelli door Elizabeth Wallfisch. Ik heb die sonates meer dan vijftig jaar geleden ook gespeeld, en wat mij is bijgebleven is het wat spaarzame notenbeeld. De verklaring was en is dat Corelli die muziek bij uitvoering zelf ruimschoots versierde maar die versieringen niet opschreef. Je schreef ook geen basso continuo-partijen uit: musici waren ervaren genoeg om dat ter plekke toe te verzinnen. Maar de bewerker van ‘mijn’ Corelli-sonates (Günther Kehr) had daar allemaal geen boodschap aan, dus soberheid troef.
Zo niet mevrouw Wallfisch, want die stopt die stukken vol met versieringen. Erg druk, allemaal, dat wel. Maar het zal musicologisch wel verantwoord zijn. Denk ik dan maar. Maar authentiek? Strikt genomen was alleen de uitvoering van Corelli zelf authentiek, met dien verstande dat het de vraag is of Corelli iedere keer hetzelfde speelde. Want het is een feit dat ‘authenticiteit’ niet zo was besteed aan musici uit de Barok. In dat verband trekt het de aandacht dat Bach wel de moeite heeft genomen de versieringen in de langzame delen van zijn solosonates uit te schrijven.
Overigens hoeven we niet zover terug te gaan. De nog jonge Bronislav Huberman speelde het vioolconcert van Brahms in de aanwezigheid van de componist. Die daar, in het algemeen niet gehinderd door een al te toeschietelijke aard, bijzonder tevreden mee was. Uiteraard is er van die uitvoering geen opname. Maar als je hoort hoe Huberman dit concert op een later moment uitvoerde, is het de vraag of hij de muziekkritiek van nu zou hebben overleefd. Want die beroepsbeoefenaars weten kennelijk beter hoe Brahms moet worden uitgevoerd dan Brahms himself. Maar ook opnamen (pianorollen) opgenomen door Mahler en Ravel laten opvattingen horen waarmee geen dirigent nu meer zou wegkomen.
Ik wil niet uitsluiten dat er in de loop van de eeuwen fouten in de uitvoeringspraktijk zijn geslopen. Als voorbeeld: de uitvoering van het derde Brandenburg concert van Bach door de volledige strijkersgroep van het Berlijns Philharmonisch orkest onder Furtwängler klinkt werkelijk aan geen kant. En niet minder ‘verbeteringen’ aangebracht door Mahler en Wagner in symfonieën van van Beethoven. Van Klemperer hebben we geleerd dat als je precies uitvoert wat er staat, de meeste composities niet behoeven te worden verbeterd. Dus geen interpretatie, maar AUTHENTICITEIT. Dat hij zelf ook niet met zijn vingers van het slot van de derde symfonie van Mendelssohn af kon blijven, zij hem dan maar vergeven. Zeker niet als je bedenkt dat Mendelssohn daar zelf ook niet tevreden over was.
Hopf