De reacties op dit door mij aangebrachte onderwerp meanderen nogal. Wellicht ben ik daar mede debet aan. Want de door mij gehanteerde verwijzing naar ‘Een wonderkind of een total loss’ houdt geen verband met de vijf verhalen die deel uitmaken van dit boek. Het is niet meer of minder dan een metafoor die betrekking heeft op iets, ik gaf het al eerder aan, dat ik met groot wantrouwen bezie. Voor de goede orde: het fenomeen ‘wonderkind’.
Je hebt ‘scheppenden’ en ‘herscheppenden’. Tot de eerste categorie behoren onder meer schrijvers, dichters, componisten, choreografen en schilders. De vraag of vioolbouwers ook tot die groep moeten worden gerekend, ligt ter beantwoording (gelukkig) niet op mijn bord

Tot de herscheppenden reken ik dan logischerwijze musici, toneelspelers en dansers.
Het trekt de aandacht dat wonderkinderen zelden of nooit tot de scheppenden kunnen worden gerekend. Het feit dat de veertienjarige Mozart achteraf tekst en muziek van het Miserere van Allegri -een compositie die alleen in de Sixtijnse kapel mocht worden uitgevoerd en daar ook werd bewaard- kon reproduceren is niet zozeer een schepping, maar onmiskenbaar een blijk van een fenomenaal muzikaal geheugen. Maar zijn composities uit die periode hebben de tand des tijds niet of nauwelijks weerstaan. De ouverture tot de ‘Midzomernachtsdroom’ is een onbetwistbaar meesterwerk. Maar Mendelssohn was al zeventien. Hetzelfde kan worden gezegd van de Spaanse componist Arriaga. Je ziet een zevenjarige dan ook nooit zijn of haar eerste symfonie dirigeren. Want op die leeftijd staat iets als scheppend vermogend nog in de kinderschoenen (no pun intended). En of dat iets van doen heeft met de ontwikkeling van de prefrontale cortex, moeten lieden die daarvoor hebben doorgeleerd maar uitmaken.
Het is voorts opmerkelijk dat (herscheppende) wonderkinderen altijd het podium worden opgestuurd met virtuoze muziek. Op zich begrijpelijk want als wordt voldaan aan de voorwaarde van geschiktheid voor een instrument, krijgen die bengels die mechanismen meestal wel in hun vingers (al dan niet geholpen door een Aziatische moeder). Voor de goede orde: ik refereer hier aan virtuoze muziek en niet technisch zware. Ik kan mij namelijk niet herinneren een zevenjarige te hebben meegemaakt die zich waagde aan het uitvoeren van het eerste vioolconcert van Shostakovich, de Paganini-variaties van Brahms, het tweede pianoconcert van Tchaikovsky (de originele versie en niet dat aftreksel van de hand van Siloti), laat staan de originele versie van het vioolconcert van Sibelius. Het zou ook niet kunnen. Ten eerste door de fysieke eisen maar eigenlijk vooral door het ontbreken van de voor de uitvoering van deze werken benodigde muzikale emotionaliteit. En dan beland je als zevenjarige bij Paganini en de Sarasate. Of desnoods Bazzini. Composities met een wat marginale muzikale diepgang. Om eerlijk te zijn heb ik er mijn halve leven met plezier naar geluisterd. En dus heb ik nog altijd alles wat er is opgenomen van de Sarasate (compleet, met dank aan Tianwa Yang), Heinrich Ernst (idem, met dank aan Sherban Lupu), Wieniawski (helaas is niet alles uitgegeven en zijn derde vioolconcert is zelfs van de aardbodem verdwenen) en Paganini (maar wij hebben geen idee wat die malafide baronnen Paganini nog in de kast hebben liggen), op de plank staan. Maar het jeugdige genieten is wel voorbij en voor een operafantasie, behoudens de Faustfantasie van Wieniawski, kom ik mijn bed niet meer uit. Misschien, als ik een goede bui heb, ook nog wel voor de fantasie van de Sarasate op ‘Die Zauberflöte’ van Mozart.
Ik kan en wil overigens niet uitsluiten dat een zevenjarige snotneus, groot geworden, zich later ontpopt als groot musicus. Maar het spelen van Paganini op zevenjarige leeftijd biedt geen enkele garantie op iets als een muzikale loopbaan die er toe doet. Zelfs het winnen van een internationale muziekwedstrijd als het ‘Concours Reine Elisabeth’ speelt niet altijd een rol. In tegendeel zelfs, als ik de winnaars van na de oorlog de revue laat passeren. Maar het is zelfs mogelijk dat een violist die nauwelijks ‘officieel’ les heeft gehad, zich ontpopt als een erg goed musicus voor wie de techniek geen enkel geheim kent. Een voorbeeld in dit verband is Ossy Renardy. Zijn werkelijke naam was Oscar Reiss, maar dat vond zijn Amerikaanse manager te Joods klinken. Hot rachmounes.
Wonderkinderen kijken vaak met verbittering terug op hun jeugd. Bij Ricci was dat het geval en dat gold ook voor Hirschhorn. Mischa Weisbord verdween na een geslaagd debuut in New York in de zelf-verkozen vergetelheid van Canada. Bij Menuhin bleek na de oorlog de techniek goeddeels te zijn verdwenen en bij Michael Rabin was na enkele jaren de inspiratie op. En dus heb ik er een probleem mee om kinderen in dit circus te laten mee draaien in de hoop dat het goed afloopt. Want een kind ben je maar even. En in dat scenario een mislukking voor de rest van je leven. Vandaar dus die metafoor.