Kortgeleden heb ik op YouTube een tweetal filmpjes bekeken van uitvoeringen door de Nederlandse Bachvereniging (Netherlands Bach Society). Het betrof hier het dubbelconcert voor twee violen van, uiteraard, Bach en het vioolconcert in D klein. Uitvoerenden zijn Emily Deans en de artistiek leider Shunske Sato. En als ik mijn problemen hier en daar met ‘authentieke’ uitvoeringen als fenomeen maar even achter slot en grendel laat, moet ik vaststellen dat hier sprake is van voortreffelijke uitvoeringen. Ook van dat aartsmoeilijke concert in D klein. Maar mijn aandacht werd voorts wel getrokken door wat anders.
Ten eerste een contrabas met, volgens mij, fretten. Ik ben weliswaar geen autoriteit op het gebied van de contrabas, maar het is mij nooit eerder opgevallen. Al evenmin in de jazzmuziek. Maar toegegeven, tussen actualiteit en mij ontbreekt langzamerhand iets als chemie
Een tweede punt betreft niet zozeer alleen het ontbreken van kinhouders, als wel het feit dat de betrokken (alt)violisten met hun kin op de snaarhouder leunden dan wel die kin te ruste legden op de rechterkant van het bovenblad. Ook als ik in aanmerking neem dat een groot deel van het repertoire van Bach bij tutti-violisten de eerste positie niet of nauwelijks te boven gaat, is het mij nog steeds een raadsel hoe je in die situatie een instrument vast kunt houden. Om het nog erger te maken: Shunske Sato bevindt zich in het eerdergenoemde concert in D klein zo nu en dan aan het einde van de toets. Het is mij een raadsel hoe hij die positie weer verlaat. Wat dat betreft is er een parallel met bergbeklimmen, namelijk dat afdalen moeilijker is dan klimmen
Ten eerste een contrabas met, volgens mij, fretten. Ik ben weliswaar geen autoriteit op het gebied van de contrabas, maar het is mij nooit eerder opgevallen. Al evenmin in de jazzmuziek. Maar toegegeven, tussen actualiteit en mij ontbreekt langzamerhand iets als chemie
Een tweede punt betreft niet zozeer alleen het ontbreken van kinhouders, als wel het feit dat de betrokken (alt)violisten met hun kin op de snaarhouder leunden dan wel die kin te ruste legden op de rechterkant van het bovenblad. Ook als ik in aanmerking neem dat een groot deel van het repertoire van Bach bij tutti-violisten de eerste positie niet of nauwelijks te boven gaat, is het mij nog steeds een raadsel hoe je in die situatie een instrument vast kunt houden. Om het nog erger te maken: Shunske Sato bevindt zich in het eerdergenoemde concert in D klein zo nu en dan aan het einde van de toets. Het is mij een raadsel hoe hij die positie weer verlaat. Wat dat betreft is er een parallel met bergbeklimmen, namelijk dat afdalen moeilijker is dan klimmen
Laatst bewerkt: