'De violist kan zijn viool o.a. selecteren op de breedte en dikte van de hals. Ook de halsstand ten opzichte van de corpus is een criterium voor de individuele keuze.'
Een citaat van het internet. Ik voel me de laatste weken opgelucht, maar ook een beetje vreemd, want ik heb waarschijnlijk vijf jaar op een in dit opzicht 'slecht passende' viool gespeeld en toenemende ellende ondervonden - zie mijn eerdere onderwerp 'linkerarm' - en ik heb het maar niet aan de viool willen wijten. Je raakt verknocht aan je viool, je hebt erin geïnvesteerd (zie het vervolg) en je vindt het flauw om het instrument de schuld te geven.
Mijn verhaal. In de periode daarvóór kreeg ik een half jaar een viool van iemand in bruikleen met een dikke hals. Ik had weer daarvoor een viool met een dunne hals en smalle toets. Het was of er een wereld voor me openging: ik kon mijn vingers ineens goed kwijt en mijn hele timing en intonatie verbeterde zienderogen. Ik kwam toen op het idee een viool 'op maat' te laten bouwen - op basis van 'halfbouw', geheel nieuwbouw was voor mijn financieel niet haalbaar. Ik dacht alleen aan de dikte van de hals, maar als je bovenstaand citaat leest had ik me ook meer in andere aspecten moeten verdiepen, maar dit terzijde. De bouwer (iemand van enige naam, een lid van de Nederlandse groep van viool- en strijkstokkenmakers!) geïnstrueerd dat ik een dikke hals wilde. Op de één of andere manier liep de communicatie mis. 'Kijk eens, mooie dunne hals', zei hij toen de viool al half af was. 'Maar ik wil juist een dikke hals!' 'Ach, dat valt wel mee allemaal, de toets zit er nog niet op, dan lijkt het altijd dun'. Achteraf denk ik: dat is je eruit kletsen. Maar ik heb me in slaap laten sussen.
Toen ik op de nieuwe viool begon, ging het eerst goed, maar al na een paar maanden begonnen de eerste problemen zich aan te dienen. Met name het gebruik van mijn vierde vinger werd steeds moeilijker en ik moest zoveel spanning op mijn hand zetten dat echt vlot of lang spelen een probleem werd. Ook de armdraai die nodig was leidde tot onnatuurlijke zaken. Mijn vingers stonden in een vreemde hoek op de snaar en alles blokkeerde. Soms werd mijn hand als het ware onder de hals getrokken in plaats van dat ik hem eromheen kon leggen.
Ik heb sinds enige weken de genoemde bruikleenviool permanent tot mijn beschikking en het gaat bijna per dag beter. Ik voel gewoon hoeveel spanning ik uit gewoonte heb aangewend in allerlei situaties en dat dat nu helemaal niet meer nodig is. Tempo, intonatie, uithoudingsvermogen: alles gaat beter.
Is dit verhaal extreem of heel herkenbaar?
Is het meenemen van dit soort aspecten een wel vaker ondergeschoven kindje bij de keuze van een viool?
Moet ik de bouwer aanspreken of is dat te laat, zinloos?
Wie kan iets zeggen over 'Ook de halsstand ten opzichte van de corpus is een criterium voor de individuele keuze', hier heb ik geen kijk op en ook al lijk ik nu goed te zitten, het onderwerp biologeert me wel.
Een citaat van het internet. Ik voel me de laatste weken opgelucht, maar ook een beetje vreemd, want ik heb waarschijnlijk vijf jaar op een in dit opzicht 'slecht passende' viool gespeeld en toenemende ellende ondervonden - zie mijn eerdere onderwerp 'linkerarm' - en ik heb het maar niet aan de viool willen wijten. Je raakt verknocht aan je viool, je hebt erin geïnvesteerd (zie het vervolg) en je vindt het flauw om het instrument de schuld te geven.
Mijn verhaal. In de periode daarvóór kreeg ik een half jaar een viool van iemand in bruikleen met een dikke hals. Ik had weer daarvoor een viool met een dunne hals en smalle toets. Het was of er een wereld voor me openging: ik kon mijn vingers ineens goed kwijt en mijn hele timing en intonatie verbeterde zienderogen. Ik kwam toen op het idee een viool 'op maat' te laten bouwen - op basis van 'halfbouw', geheel nieuwbouw was voor mijn financieel niet haalbaar. Ik dacht alleen aan de dikte van de hals, maar als je bovenstaand citaat leest had ik me ook meer in andere aspecten moeten verdiepen, maar dit terzijde. De bouwer (iemand van enige naam, een lid van de Nederlandse groep van viool- en strijkstokkenmakers!) geïnstrueerd dat ik een dikke hals wilde. Op de één of andere manier liep de communicatie mis. 'Kijk eens, mooie dunne hals', zei hij toen de viool al half af was. 'Maar ik wil juist een dikke hals!' 'Ach, dat valt wel mee allemaal, de toets zit er nog niet op, dan lijkt het altijd dun'. Achteraf denk ik: dat is je eruit kletsen. Maar ik heb me in slaap laten sussen.
Toen ik op de nieuwe viool begon, ging het eerst goed, maar al na een paar maanden begonnen de eerste problemen zich aan te dienen. Met name het gebruik van mijn vierde vinger werd steeds moeilijker en ik moest zoveel spanning op mijn hand zetten dat echt vlot of lang spelen een probleem werd. Ook de armdraai die nodig was leidde tot onnatuurlijke zaken. Mijn vingers stonden in een vreemde hoek op de snaar en alles blokkeerde. Soms werd mijn hand als het ware onder de hals getrokken in plaats van dat ik hem eromheen kon leggen.
Ik heb sinds enige weken de genoemde bruikleenviool permanent tot mijn beschikking en het gaat bijna per dag beter. Ik voel gewoon hoeveel spanning ik uit gewoonte heb aangewend in allerlei situaties en dat dat nu helemaal niet meer nodig is. Tempo, intonatie, uithoudingsvermogen: alles gaat beter.
Is dit verhaal extreem of heel herkenbaar?
Is het meenemen van dit soort aspecten een wel vaker ondergeschoven kindje bij de keuze van een viool?
Moet ik de bouwer aanspreken of is dat te laat, zinloos?
Wie kan iets zeggen over 'Ook de halsstand ten opzichte van de corpus is een criterium voor de individuele keuze', hier heb ik geen kijk op en ook al lijk ik nu goed te zitten, het onderwerp biologeert me wel.