In een boekwerkje in de bibliotheek (ik dacht dat het van Ballegoor was), kwam ik de uitspraak tegen dat de snaren nooit tegen de binnenwang van de sleutelkast aan mogen lopen (Figuur 1A). De reden die werd opgegeven was dat daardoor de stemsleutel naar binnen getrokken kon worden en mogelijk te veel kracht uit oefende op de wang. Hierdoor zou gemakkelijk een scheur kunnen ontstaan.
Nu heb ik in een van mijn beginlessen van mijn vioolleraar geleerd, dat je juist de snaar zodanig moest opspannen dat die zodanig opgewikkeld was dat de sleutel er een beetje steviger werd ingetrokken en daardoor zichzelf vastzette (Figuur 1A). Dat verhinderde het terug lopen van de sleutel. Deze manier heb ik tot nu toe altijd toegepast op de G-D-en A-snaar en nooit last gehad van scheuren in de sleutelkast. Bij de E-snaar was dat niet mogelijk vanwege de geringe diameter maar dat hoeft ook niet, want met een fijnstemmer gaat dat uitstekend.
Hoe zou volgens u de snaar moeten worden opgespannen?
Nu heb ik in een van mijn beginlessen van mijn vioolleraar geleerd, dat je juist de snaar zodanig moest opspannen dat die zodanig opgewikkeld was dat de sleutel er een beetje steviger werd ingetrokken en daardoor zichzelf vastzette (Figuur 1A). Dat verhinderde het terug lopen van de sleutel. Deze manier heb ik tot nu toe altijd toegepast op de G-D-en A-snaar en nooit last gehad van scheuren in de sleutelkast. Bij de E-snaar was dat niet mogelijk vanwege de geringe diameter maar dat hoeft ook niet, want met een fijnstemmer gaat dat uitstekend.
Hoe zou volgens u de snaar moeten worden opgespannen?