Wanneer je een viool met vlakke bladen vergelijkt met die van gewelfde bladen, zijn de vlakke bladen veel flexibeler en een dergelijke viool klinkt in het algemeen veel zachter en in het geheel mat, zonder pit. Het aandeel van de lage(re) frequenties bij vlakke bladen is groter ten opzichte van een instrument met gewelfde bladen. Bij een gewelfd instrument worden de hogere frequenties beter afgestraald. Om nu toch te kunnen compenseren voor een grotere beweeglijkheid van sterk gewelfde bladen moeten de bladen dunner worden. Omdat bij sterk gewelfde bladen en eenzelfde kransbreedte het corpusvolume toeneemt c.q. te groot is, moet daarvoor gecompenseerd worden door een kleinere breedte van de krans.
Behalve de vorm en mate van de welving is ook de keuze van het hout van belang. V.w.b. het bovenblad is de afstand tussen de jaarringen mede bepalend voor de stijfheid alsook de soortelijke massa.
- Instrumenten die te dikke bladen hebben, produceren geen grote klank en klinken niet edel. Ze geven bij fortespel een hele boel bijgeluiden.
- Instrumenten die naar hun welving de juiste dikte/sterkte verdeling in zich hebben, klinken altijd helder, hebben een vrije open toon waar bij de losse A-snaar de vocaal A laat horen. De lagere snaren klinken donker en sonoor, zonder de vaak gehoorde holklinkende diepte, als een kartonnen doos.
- Instrumenten die naar verhouding van de welving te dunne bladen hebben en bovendien een te groot luchtvolume hebben, laten een op de D- en G-snaar een holle lege klankkleur horen, die tegen de A- en de E-snaar onaangenaam afsteekt. De G-snaar is niet krachtig genoeg.
Uiteraard zijn van deze drie hoofdgroepen allerlei tussenvormen af te leiden.
In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, oefent niet alleen het bovenblad invloed uit op de klank, maar ook het achterblad. Niet alleen de dikte en dikteverdeling maar ook vorm, mate en vorm van de welving, gelijkmatige verloop van de welvingscurven, de f-gaten, kranshoogte (zie ook boven), de halshoek, het hout en ook voor een deel de opgebrachte lak, oefenen allemaal invloed uit op de klank.
Er is geen standaard proces en/of methodiek voor handen om een prachtig klinkend instrument te maken.
De Stainer instrumenten met hun hoge welving hebben i.h.a. een kristalheldere zilveren toon op de E-snaar, die heel gemakkelijk aanspreekt. De A-snaar klinkt als een hobo en klarinet, terwijl de D- en G-snaar donker en sonoor klinken. Het ontbreekt de G-snaar op de meeste Stainers aan kracht en een fortespel zonder bijgeluiden is niet goed mogelijk. Het geheel wordt nog versluierd met andere bijgeluiden.
De oorzaak: te grote welving, vreemd gevormde f-gaten, die de beweeglijkheid van het bovenblad moet verbeteren, de dikteverdeling verloopt zeer sterk. Aan de randen een diepe 'Holhlkehle'. Een zachte lak.