Geruime tijd geleden ben ik opgehouden met het luisteren naar vioolmuziek. Mogelijk tijdelijk, maar ik kreeg na al die jaren last van iets als luistermoeheid. Ik bedoel daarmee te zeggen dat als ik zelfs de verzamelde vioolconcerten van Spohr, Viotti, De Bériot, Vieuxtemps, Rode, Lipinski en Vivaldi uit het hoofd kan nafluiten, het nieuwtje er wel een beetje af is. Maar eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat de werken voor viool van van Beethoven en Brahms de dans zijn ontsprongen. Niet dat muziek uit mijn leven is verdwenen, want kamermuziek en orkestwerken zijn nooit weggeweest. Evenmin als de cantates van Bach. Plus de herleefde belangstelling voor zijn componerende zoons.
Maar kortgeleden schalde er toch weer strijkersmuziek uit mijn luidsprekers. Muziek voor cello ditmaal. Een instrument dat in mijn luistergewoonte een beetje de rol vervult van een stiefkind. Niet dat ik in al die jaren niet bekend ben geraakt met de 'grote' werken voor cello en orkest. Zoals Dvorak, Elgar, Saint-Saëns, Lalo, Khatchaturian, Brahms dubbelconcert, Shostakovich, Tchaikovsky, Haydn en Boccherini (al dan niet gefalsificeerd). Zelfs dat helaas ondergewaardeerde concert van Offenbach. Viotti nota bene.
Maar de genoemde werken waren niet aan de orde, want ik luisterde 'gewoon' naar de twee cellosonates en de variaties op. 17 van Mendelssohn-Bartholdy. Werken die ik lang geleden voor het laatst heb gehoord en die toen een wat fletse indruk bij mij achterlieten. Iets dat zich toen ook voordeed bij sommige van zijn strijkkwartetten en zijn drie vioolsonates. De vioolsonates vind ik nog altijd veredeld maakwerk, maar zijn strijkkwartetten (en de pianokwartetten, de kwintetten, het sextet en het octet) zijn weer helemaal teruggekeerd in (op?) de vaderschoot van mijn warme belangstelling. Voor wat betreft de beide sonates en de variaties: in weerwil van mijn oordeel van anno dazumal was ik ditmaal nogal onder de indruk van de muziek. En de vraag of dat nu aan de muziek ligt, mijn voortschrijdend inzicht dan wel twee indrukwekkende instrumentalisten (Claude Starck en Christoph Eschenbach), kan ik niet beantwoorden. Nog los van de vraag of dat enige zin zou hebben.
Ik weet niet of iemand op dit forum zich ooit aan de studie dan wel uitvoering van deze werken van Mendelssohn-Bartholdy heeft gewaagd. Maar ik zou eigenlijk wel willen weten of de moeilijkheidsgraad van genoemde werken voor cello en piano in de buurt komt van de eerdergenoemde werken voor cello en orkest.
Laat ik een violistisch voorbeeld noemen: het vioolconcert van Brahms is, om een aantal uiteenlopende redenen, een nogal bewerkelijk stuk om te spelen. Zijn drie vioolsonates zijn dat in veel mindere mate, al is de derde sonate wel iets lastiger. Mijn grootste moeilijkheid met die sonates, die ik dankzij de grammofoonplaat weliswaar uit mijn hoofd kende, was overigens dat tellen in triolen, sextolen, septolen en wat Johannes B. nog meer aan het papier toevertrouwde.
Maar kortgeleden schalde er toch weer strijkersmuziek uit mijn luidsprekers. Muziek voor cello ditmaal. Een instrument dat in mijn luistergewoonte een beetje de rol vervult van een stiefkind. Niet dat ik in al die jaren niet bekend ben geraakt met de 'grote' werken voor cello en orkest. Zoals Dvorak, Elgar, Saint-Saëns, Lalo, Khatchaturian, Brahms dubbelconcert, Shostakovich, Tchaikovsky, Haydn en Boccherini (al dan niet gefalsificeerd). Zelfs dat helaas ondergewaardeerde concert van Offenbach. Viotti nota bene.
Maar de genoemde werken waren niet aan de orde, want ik luisterde 'gewoon' naar de twee cellosonates en de variaties op. 17 van Mendelssohn-Bartholdy. Werken die ik lang geleden voor het laatst heb gehoord en die toen een wat fletse indruk bij mij achterlieten. Iets dat zich toen ook voordeed bij sommige van zijn strijkkwartetten en zijn drie vioolsonates. De vioolsonates vind ik nog altijd veredeld maakwerk, maar zijn strijkkwartetten (en de pianokwartetten, de kwintetten, het sextet en het octet) zijn weer helemaal teruggekeerd in (op?) de vaderschoot van mijn warme belangstelling. Voor wat betreft de beide sonates en de variaties: in weerwil van mijn oordeel van anno dazumal was ik ditmaal nogal onder de indruk van de muziek. En de vraag of dat nu aan de muziek ligt, mijn voortschrijdend inzicht dan wel twee indrukwekkende instrumentalisten (Claude Starck en Christoph Eschenbach), kan ik niet beantwoorden. Nog los van de vraag of dat enige zin zou hebben.
Ik weet niet of iemand op dit forum zich ooit aan de studie dan wel uitvoering van deze werken van Mendelssohn-Bartholdy heeft gewaagd. Maar ik zou eigenlijk wel willen weten of de moeilijkheidsgraad van genoemde werken voor cello en piano in de buurt komt van de eerdergenoemde werken voor cello en orkest.
Laat ik een violistisch voorbeeld noemen: het vioolconcert van Brahms is, om een aantal uiteenlopende redenen, een nogal bewerkelijk stuk om te spelen. Zijn drie vioolsonates zijn dat in veel mindere mate, al is de derde sonate wel iets lastiger. Mijn grootste moeilijkheid met die sonates, die ik dankzij de grammofoonplaat weliswaar uit mijn hoofd kende, was overigens dat tellen in triolen, sextolen, septolen en wat Johannes B. nog meer aan het papier toevertrouwde.