Na een aantal jaren vioolles, ik heb het over het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw, achtte mijn vioolleraar het noodzakelijk dat ik mij bezig zou houden met de vioolsonates van Händel. Dus toog ik naar de eertijds bekende ‘Algemeene Muziekhandel v/h G.H. van Eck & Zn’ aan de Vlamingstraat 38 in Den Haag, waar men mij, uiteraard tegen betaling, de twee delen van de Peters-uitgave overhandigde. De bewerker van de sonates was Hans Sitt, een man die al geruime tijd daarvoor, namelijk in 1922, het tijdelijke voor het eeuwige had verruild. Ik bedoel daarmee te zeggen dat de bewerker onmiskenbaar uit de Romantiek en haar opvattingen stamde. Maar daarover later.
Zoals gebruikelijk kon mijn vioolleraar geen boogjes of vingerzettingen bedacht door anderen ongemoeid laten. Die werden dan ook vervangen door ‘zijn’ boogjes en vingerzettingen. Wat dat laatste betreft: veel tweede en vierde positie, want dat was hem gedurende twee zomercursussen bij Carl Flesch wel ingeprent. Nu wil ik mij niet laten voorstaan omtrent al te veel musicologisch inzicht in die tijd, maar ik vroeg me wel af waarom zaken die prima in de eerste, tweede of derde positie speelbaar waren, zo nodig naar de vierde of vijfde positie werden verbannen. Ik heb mij, meen ik, één keer verstout dit voorzichtig aan de orde te stellen. Deze vrijpostigheid was, althans in die tijd en zeker in de ogen van mijn vioolleraar, niet zo gebruikelijk. Maar naar mij te verstaan werd gegeven, klonk het warmer. Ik heb het nog steeds over vioolsonates van Händel. Bedacht voor de instrumenten en strijkstokken uit de tijd van Händel. En bepaald door de muzikale smaak en opvattingen uit de tijd van Händel.
Enige tijd geleden ben ik begonnen met het ordenen van wat resteert van mijn verzameling bladmuziek. In de praktijk betekende dit dat een groot deel naar de papiercontainer verhuisde c.q. die weg nog moet bewandelen. Bij die operatie kwamen ook weer de vioolsonates van Händel boven water. Aangezien ik het altijd aardige muziek ben blijven vinden, bleef ze vooralsnog een voortijdig einde bespaard. Sterker, ik besloot alles weer eens door te spelen.
Maar aangezien ik lang geleden en eigenlijk nog steeds twee moeilijkheden ondervind met baroksonates, ik bedoel in welk tempo ‘neem’ je een 2/2 of 3/2 maat en hoe tel ik die -al dan niet verlengde- 32e en 64e noten in adagio’s, besloot ik de sonates vooraf via een CD-opname te beluisteren.’ Benchmarking’ heet dat tegenwoordig. Ik had daarbij de keuze tussen een min of meer ‘authentieke’ uitvoering (Andrew Manze) en een niet zo authentieke door Arthur Grumiaux. Het werd dus de laatste. Omdat zijn uitvoering van de concerten en sonates van Mozart tot het mooiste behoort dat ik ooit heb gehoord. Het had dus niets met Händel zelf te maken.
Het luisteren naar die niet-zo-authentieke Grumiaux leverde wel een paar verrassingen op. Ten eerste speelt hij de langzame delen aanmerkelijk sneller dat ik het ooit heb geleerd. Ten tweede gebruikt hij nauwelijks legato. Bijna al de mij zo vertrouwde ‘boogjes’ worden genegeerd. Het aardige is dat ik beschik over een opname van een sonate van Händel, gespeeld door de leraar van Grumiaux, namelijk Alfred Dubois. En die doet dat allemaal, legato en traag tempo, dus wel. Echt nieuwsgierig geworden ook nog maar even Manze beluisterd. Dat heb ik uiteraard ook eerder al gedaan, maar kennelijk niet al te goed, of zonder een relatie te leggen met oudere uitvoeringen. Nu dus wel. En het is goed vast te stellen dat hij (Manze) alleen dan van positie wisselt als dat nodig is dan wel logisch. Een wat vreemder vaststelling is vervolgens dat in vergelijking tot de, neem ik aan, ‘Urtext’ die Manze gebruikt, in de bewerking van Hans Sitt heel wat maten zijn weggelaten. En dan heb ik het nog maar niet over de ‘piano’ partij met, o gruwel, octaven in de linkerhand. Maar het meest verrassende was toch wel de bijzonder frisse indruk die deze uitvoering op mij maakt. Ik heb geen idee waar het precies aan ligt: instrument, stok, snaren, stemming, spelopvatting of het gevolg van musicologische research. Maar het klinkt geweldig, met Hans Sitt heel ver uit de buurt. Eerlijk gezegd kan ik maar één eerdere -vergelijkbare- stilistische ‘wedergeboorte’ herinneren, namelijk in het geval van de vier orkestsuites BWV 1066-1069 van Bach, gespeeld door La Stravaganza Köln. Al dan niet toevallig geleid door, alweer, Andrew Manze. In ieder geval konden alle andere uitvoeringen van de orkestsuites naar de eeuwige jachtvelden
De vaststelling dat iedere tijd en nieuwe generatie anders aankijkt tegen het verleden en dus ook het muzikale verleden, vertoont alle trekken van het intrappen van een open deur. Maar het blijft niettemin waar. De vergelijking van Händel zoals gezien door bewerkers die in hun tijd als autoriteit werden beschouwd met eigentijdse opvattingen, blijkt ronduit verrassend. Zeker als in aanmerking wordt genomen dat iedere tijd of waarnemer uitgaat van een ‘definitieve’ opvatting. Ik ben dan ook benieuw hoe een ‘definitieve’ opvatting er over enkele decennia uitziet (of klinkt). En hoe betrekkelijk die dan vervolgens weer blijkt te zijn. Maar aangezien ik vrees dat niet meer mee te maken, zal ik mij voorlopig maar beperken tot het aanschaffen van de vioolsonates van Händel in de uitgave van Henle of Bärenreiter. De tijd dringt
Zoals gebruikelijk kon mijn vioolleraar geen boogjes of vingerzettingen bedacht door anderen ongemoeid laten. Die werden dan ook vervangen door ‘zijn’ boogjes en vingerzettingen. Wat dat laatste betreft: veel tweede en vierde positie, want dat was hem gedurende twee zomercursussen bij Carl Flesch wel ingeprent. Nu wil ik mij niet laten voorstaan omtrent al te veel musicologisch inzicht in die tijd, maar ik vroeg me wel af waarom zaken die prima in de eerste, tweede of derde positie speelbaar waren, zo nodig naar de vierde of vijfde positie werden verbannen. Ik heb mij, meen ik, één keer verstout dit voorzichtig aan de orde te stellen. Deze vrijpostigheid was, althans in die tijd en zeker in de ogen van mijn vioolleraar, niet zo gebruikelijk. Maar naar mij te verstaan werd gegeven, klonk het warmer. Ik heb het nog steeds over vioolsonates van Händel. Bedacht voor de instrumenten en strijkstokken uit de tijd van Händel. En bepaald door de muzikale smaak en opvattingen uit de tijd van Händel.
Enige tijd geleden ben ik begonnen met het ordenen van wat resteert van mijn verzameling bladmuziek. In de praktijk betekende dit dat een groot deel naar de papiercontainer verhuisde c.q. die weg nog moet bewandelen. Bij die operatie kwamen ook weer de vioolsonates van Händel boven water. Aangezien ik het altijd aardige muziek ben blijven vinden, bleef ze vooralsnog een voortijdig einde bespaard. Sterker, ik besloot alles weer eens door te spelen.
Maar aangezien ik lang geleden en eigenlijk nog steeds twee moeilijkheden ondervind met baroksonates, ik bedoel in welk tempo ‘neem’ je een 2/2 of 3/2 maat en hoe tel ik die -al dan niet verlengde- 32e en 64e noten in adagio’s, besloot ik de sonates vooraf via een CD-opname te beluisteren.’ Benchmarking’ heet dat tegenwoordig. Ik had daarbij de keuze tussen een min of meer ‘authentieke’ uitvoering (Andrew Manze) en een niet zo authentieke door Arthur Grumiaux. Het werd dus de laatste. Omdat zijn uitvoering van de concerten en sonates van Mozart tot het mooiste behoort dat ik ooit heb gehoord. Het had dus niets met Händel zelf te maken.
Het luisteren naar die niet-zo-authentieke Grumiaux leverde wel een paar verrassingen op. Ten eerste speelt hij de langzame delen aanmerkelijk sneller dat ik het ooit heb geleerd. Ten tweede gebruikt hij nauwelijks legato. Bijna al de mij zo vertrouwde ‘boogjes’ worden genegeerd. Het aardige is dat ik beschik over een opname van een sonate van Händel, gespeeld door de leraar van Grumiaux, namelijk Alfred Dubois. En die doet dat allemaal, legato en traag tempo, dus wel. Echt nieuwsgierig geworden ook nog maar even Manze beluisterd. Dat heb ik uiteraard ook eerder al gedaan, maar kennelijk niet al te goed, of zonder een relatie te leggen met oudere uitvoeringen. Nu dus wel. En het is goed vast te stellen dat hij (Manze) alleen dan van positie wisselt als dat nodig is dan wel logisch. Een wat vreemder vaststelling is vervolgens dat in vergelijking tot de, neem ik aan, ‘Urtext’ die Manze gebruikt, in de bewerking van Hans Sitt heel wat maten zijn weggelaten. En dan heb ik het nog maar niet over de ‘piano’ partij met, o gruwel, octaven in de linkerhand. Maar het meest verrassende was toch wel de bijzonder frisse indruk die deze uitvoering op mij maakt. Ik heb geen idee waar het precies aan ligt: instrument, stok, snaren, stemming, spelopvatting of het gevolg van musicologische research. Maar het klinkt geweldig, met Hans Sitt heel ver uit de buurt. Eerlijk gezegd kan ik maar één eerdere -vergelijkbare- stilistische ‘wedergeboorte’ herinneren, namelijk in het geval van de vier orkestsuites BWV 1066-1069 van Bach, gespeeld door La Stravaganza Köln. Al dan niet toevallig geleid door, alweer, Andrew Manze. In ieder geval konden alle andere uitvoeringen van de orkestsuites naar de eeuwige jachtvelden
De vaststelling dat iedere tijd en nieuwe generatie anders aankijkt tegen het verleden en dus ook het muzikale verleden, vertoont alle trekken van het intrappen van een open deur. Maar het blijft niettemin waar. De vergelijking van Händel zoals gezien door bewerkers die in hun tijd als autoriteit werden beschouwd met eigentijdse opvattingen, blijkt ronduit verrassend. Zeker als in aanmerking wordt genomen dat iedere tijd of waarnemer uitgaat van een ‘definitieve’ opvatting. Ik ben dan ook benieuw hoe een ‘definitieve’ opvatting er over enkele decennia uitziet (of klinkt). En hoe betrekkelijk die dan vervolgens weer blijkt te zijn. Maar aangezien ik vrees dat niet meer mee te maken, zal ik mij voorlopig maar beperken tot het aanschaffen van de vioolsonates van Händel in de uitgave van Henle of Bärenreiter. De tijd dringt
Laatst bewerkt: