Het gaat op dit forum vaak over de bouwkundige kwaliteit van strijkinstrumenten en dan met name violen. ‘Atelierviolen’ dan wel sommige Chinese instrumenten komen er dan veelal bekaaid van af. Bijvoorbeeld als er is bespaard op (de kwaliteit van) onderdelen. Ofschoon ik mij, zelfs als leek, hierbij het nodige kan voorstellen, blijf ik toch met wat vragen zitten.
1. Stel, een vakkundige vioolbouwer bouwt een instrument geheel volgens de regels van de kunst, gebruik makend van materialen van de hoogste kwaliteit. Is dan na afloop met zekerheid sprake van een goed instrument? Voor de goede orde: ik bedoel niet zozeer of alleen mooi ogend, als wel goed klinkend. Of is het mogelijk dat ondanks de inzet van vakkennis en kwalitatief hoogstaand materiaal het resultaat (tonaal) teleurstelt?
2. Een inmiddels overleden vriend is jarenlang als violist verbonden geweest aan een Nederlands symfonieorkest. Daarnaast gaf hij, zoals in die tijd gebruikelijk, ook vioollessen aan zowel gevorderden als beginners. De beginners waren meestal kinderen. En die kinderen kwamen naar vioolles met onder hun arm een instrument veelal voorzien van een Stradivarius-etiket, aangeschaft bij de ‘muziekwinkel’. Over het algemeen waren het,neem ik aan, Duitse atelierviolen, want Chinese violen hadden de weg naar Europa nog niet ontdekt en het huren van een viool was ook nog niet zo aanvaard. Met atelierviolen bedoel ik overigens instrumenten waarvan het bovenblad was vervaardigd door Karl-Heinz, het achterblad door Uwe en hals en krul door Heinrich. En waarschijnlijk heeft de een of andere Joachim deze puzzelstukjes tot een complete viool omgevormd. Klank-technisch waren die instrumenten -voorspelbaar- over het algemeen niet om over naar huis te schrijven. Het vreemde is alleen dat er incidenteel sprake was van een goed tot zeer goed klinkend instrument. Dat kan toeval zijn, maar ik mis het geloof in toeval. En dan ben ik weer terug bij mijn eerste vraag.
3. Los van het voorgaande: ik ga er van uit dat een vioolbouwer over het algemeen een klankideaal nastreeft. Heeft de vertaling van dat ideaal naar de praktijk betrekking op meer dan, bijvoorbeeld, de variabele dikte van de bladen of omvat dat meer?
1. Stel, een vakkundige vioolbouwer bouwt een instrument geheel volgens de regels van de kunst, gebruik makend van materialen van de hoogste kwaliteit. Is dan na afloop met zekerheid sprake van een goed instrument? Voor de goede orde: ik bedoel niet zozeer of alleen mooi ogend, als wel goed klinkend. Of is het mogelijk dat ondanks de inzet van vakkennis en kwalitatief hoogstaand materiaal het resultaat (tonaal) teleurstelt?
2. Een inmiddels overleden vriend is jarenlang als violist verbonden geweest aan een Nederlands symfonieorkest. Daarnaast gaf hij, zoals in die tijd gebruikelijk, ook vioollessen aan zowel gevorderden als beginners. De beginners waren meestal kinderen. En die kinderen kwamen naar vioolles met onder hun arm een instrument veelal voorzien van een Stradivarius-etiket, aangeschaft bij de ‘muziekwinkel’. Over het algemeen waren het,neem ik aan, Duitse atelierviolen, want Chinese violen hadden de weg naar Europa nog niet ontdekt en het huren van een viool was ook nog niet zo aanvaard. Met atelierviolen bedoel ik overigens instrumenten waarvan het bovenblad was vervaardigd door Karl-Heinz, het achterblad door Uwe en hals en krul door Heinrich. En waarschijnlijk heeft de een of andere Joachim deze puzzelstukjes tot een complete viool omgevormd. Klank-technisch waren die instrumenten -voorspelbaar- over het algemeen niet om over naar huis te schrijven. Het vreemde is alleen dat er incidenteel sprake was van een goed tot zeer goed klinkend instrument. Dat kan toeval zijn, maar ik mis het geloof in toeval. En dan ben ik weer terug bij mijn eerste vraag.
3. Los van het voorgaande: ik ga er van uit dat een vioolbouwer over het algemeen een klankideaal nastreeft. Heeft de vertaling van dat ideaal naar de praktijk betrekking op meer dan, bijvoorbeeld, de variabele dikte van de bladen of omvat dat meer?