Příhoda was een violist voor wie geen technische problemen bestonden en die in Amerika betere recensies kreeg dan Heifetz. Hij werd op 24 augustus 1900 in Vodnany in Tsjecho-Slowakije geboren en stierf op 27 juli 1960 in Wenen. Hij studeerde in Praag bij Marak. Op negentienjarige leeftijd werd hij door Toscanini in Italië ontdekt.
Zijn Amerikaanse debuut maakte hij op 22 november 1920 in de Carnegie Hall in New York. Op het programma stonden de Duivelstriller Sonate van Tartini, het eerste concert van Paganini (met Sauret kadens), een versie van zijn leraar van het Ave Maria van Schubert, Kreislers Caprice Viennois, een mazurka van Dvořák en de Nel cor più non mi sento variaties van Paganini.
Hij woonde in Duitsland en was tijdens de Tweede Wereldoorlog professor in München en aan het Salzburger Mozarteum. Als leraar genoot hij een hoog aanzien. Příhoda componeerde ook. Zo schreef hij onder meer transcripties op de walsen uit de Rosencavalier van Richard Strauss.
Zijn spel doet me soms denken aan dat van Itzhak Perlman. Er is veel aandacht voor frasering en elegantie. Hij heeft een warme klank en een zeer intens vibrato. Ik ben benieuwd wat jullie vinden van deze violist. Hier kan je naar hem luisteren in Zigeunerweisen van de Sarasate.