type deze naam is in op Facebook of Youtube: Antoni Ingielewicz
Jeetje, petje af hoor, ik denk dat we daar wel meer van gaan horen....
Muziek is beleving. Technische vaardigheid is in dat verband niet meer dan instrumenteel. En op het gevaar af in te gaan tegen de kennelijk hier gangbare ‘communis opinio’, wat is er nou zo bijzonder aan deze jonge violist? Tja, hij beheerst de techniek redelijk. Maar voor een twaalfjarige is dat ook weer niet zo bijzonder als sprake is van:
1. Talent
2. Zo jong mogelijk beginnen
3. Een doelgerichte viooldocent (en wat dat betreft ben ik in Nederland het nodige gepruts onder ogen gekomen)
Bij internationaal gerenommeerde vioolopleidingen wordt er van uitgegaan dat kinderen op elf- of twaalfjarige leeftijd de volledige viooltechniek grondig onder de knie hebben. Daarna begint de muzikale vorming en mogelijk de voorbereiding op een loopbaan als musicus. Al dan niet in de vorm van talloze masters-classes. Of nog erger, vioolconcoursen.
Iedere keer dat er zo lovend over een zoveelste, al dan niet gedresseerd, talent wordt gedaan, gaat bij mij echter de irritatiekraan open. Want nogmaals, het gaat mij om de BELEVING van muziek en niet om een kind dat, met alle respect, een kunstje staat te doen. Hoe voortreffelijk wellicht ook. Al vrees ik dat wij toch in de meeste gevallen voornamelijk zijn of haar leraar of lerares horen doorklinken.
Daarmee heb ik overigens niet gezegd dat die ‘volwassen’ beleving altijd is uitgesloten bij heel jonge musici. Maar het komt alleen zelden voor. Als ik mij beperk tot violisten kom ik eigenlijk niet verder dan de vooroorlogse Menuhin, Michael Rabin (althans de eerste jaren), Josef Hassid, Mischa Elman en Vadim Repin. Voor de goede orde: ik heb het dan over het fenomeen ‘wonderkinderen’. Echte wonderkinderen. Want je hoeft beslist geen wonderkind te zijn (geweest) om te eindigen als een meer dan voortreffelijk musicus.
En de twee werken die hier worden gespeeld stemmen mij ook niet milder. Het eerste, de etude opus 18 nr. 4 van Wieniawski, is een mengsel van positie- en snaarwisseling, alsmede gebroken drieklanken. Wat minder diplomatiek geformuleerd: een soort van uit de hand gelopen toonladder in drieklanken. Uit acrobatisch oogpunt leuk om te spelen, maar muzikaal nogal marginaal. En dan het tweede werk, het Cantabile in E op. 17 van Paganini. Een echt werk, want voorkomend op het repertoire van veel violisten. Waaronder bijvoorbeeld Leonid Kogan. Muzikaal ook wat substantiëler. En dat vergt dan uiteraard inzicht in de context en de uitvoeringswijze van de muziek en dus niet alleen de noten en de vingerzettingen. Tenzij mijn oren mij bedriegen mis ik dat in deze uitvoering. Zeker als de uitvoering door sommige groten nog op je trommelvlies staat. Ik heb het overigens niet over die paar slippertjes, want dat overkomt iedere musicus met enige regelmaat.