Ik heb hier verschillende meningen over zangbalk gelezen maar niemand zegt iets over de invloed van de lengte en de dikte ervan en eventueel diverse modellen.
Het is in de literatuur van de vioolbouw niet beschreven wat de invloed is van dikte, vorm, lengte op de klank. Op zich is dat wel te begrijpen want hoe voer je een dergelijk experiment uit? Haal je dan het bovenblad eraf, doet een aanpassing aan de zangbalk en lijmt het blad er weer op? Dan de stapel, kam en snaren plaatsen en daarna beoordelen of de klank veranderd is? Gegarandeerd dat de klank veranderd is! Maar waaraan moet dat worden toegeschreven? Er zijn bij deze procedure zo veel variabelen in het spel die allemaal interactie met elkaar hebben, dat het niet kan worden toegeschreven aan slechts één variabele: wat materiaal van de zangbalk gehaald.
Maar er zijn wel wat richtlijnen. Zo is er een methode die toegepast kan worden wanneer de dikte van het bovenblad ook er bij wordt betrokken. De meeste bovenbladen hebben een diktegradiënt (de hele goedkope Chineesjes hebben een uniforme dikte), waardoor de zangbalk ook de specifieke vorm krijgt. De plaats en lengte van de zangbalk wordt meestal geplaatst volgens onderstaande afbeelding:

Wanneer de positie en lengte is vastgelegd, wordt de lengte in acht gelijke stukken verdeeld:
In
"Die Kunst des Geigenbaues" beschrijft Otto Möckel het aanleggen van een spanning in de zangbalk. Die wordt verkregen door de beide uiteinden van de zangbalk uit te voeren met een kleine opening van ongeveer 1.5 mm, zoals afbeelding A laat zien. Afbeelding B geeft ook een spanning in de zangbalk, maar dan in het middelste gedeelte gecentreerd. Het aanleggen van een spanning in de zangbalk heeft niet zo veel zin, wanneer men in ogenschouw neemt dat ieder systeem na verloop van tijd in evenwicht komt. Dat gebeurt met een zangbalk zonder spanning, dat gebeurt ook met een zangbalk mét spanning. Tegenwoordig wordt de zangbalk zonder spanning exact passend aangebracht.
De getekende vorm in Fig. 3 is niet de gebruikelijke en is slechts bedoeld om aan te geven wáár zich de aangelegde spanning bevindt.
De ontstane vorm die wordt verkregen volgens afbeelding 1 komt beter overeen met de algemeen gebruikelijke. Een hoogte van 2 cm (20 mm!) zoals door Iso genoemd, is veel te hoog. Een vorm die door Simone Sacconi is weergegeven komt van zijn onderzoek naar diverse Stradivarius-violen:
Fig. 4:
De vorm van de zangbalk verandert als functie van de positie. In het midden ter lengte van de f-gaten heeft de zangbalk min of meer dezelfde vorm en hoogte. In de richting van de schouders neemt die hoogte af en verandert de vorm c.q. doorsnede. Sacconi laat daar doorsneden zien:
De zangbalk heeft als functie de trillingen die binnenkomen vanaf de kam mede door te geven naar het volledige blad. Er wordt door sommige bouwers een methode toegepast die zou moeten compenseren voor een evenwichtige verdeling van de massa, door precies op de denkbeeldige lijn van de f-kerven een spitse vijl te plaatsen (aan de binnenkant van het bovenblad) waarbij het de bedoeling is dat in de
lengterichting beide schouders in evenwicht zijn. (Het blad staat dan precies horizontaal).
Andere bouwers waaronder ikzelf, bepalen aan de hand van de doorbuiging c.q. tegendruk ter plaatse van de zangbalk en torsie of de zangbalk te sterk, te dik of te lang is.