In de vioolbouw gebruikt men de 5/7-deling en veel minder de 2/3-deling. De 2/3-deling levert een mm kortere mensuur op.
De juiste mensuur kan worden ingesteld door de positie van de kam te controleren en eventueel te corrigeren. Tijdens de bouw gaat dat precies andersom: dan wordt de halslengte bepaald aan de hand van de grootte van de corpus.
Omdat de lengte van de hals bij een gereed instrument vast ligt moet een eventuele correctie voor een juiste mensuur dus komen van de stand van de kam. Bepaal daartoe de halsmensuur, dat is de lengte gemeten tussen kielhoutje en einde hals. Als het goed is zal dat 135 mm zijn (bij een 4/4-viool). Deel deze waarde door 5 --> 27mm. Vermenigvuldigen met 7 levert de mensuur op: 189 mm. Met een bijtelling van 5 mm vanwege het inlaten van de halsvoet in de rand (5mm) kom je dan op een mensuur uit van 194 mm. De denkbeeldige lijn tussen de beide f-kerven dient daarom een afstand van 194 mm te hebben, gerekend vanaf de buitenste rand van het blad.
Wat als dat allemaal niet klopt?
Stel de halsmensuur is 139 mm? Deel dit dan door 5 --> 27.8mm x 7 ->194.6mm. Tel daar de 5 mm bij op voor het inlaten van de halsvoet, dan kom je uit op nét geen 200 mm. Dat is dus dan de positie van de kam voor een correcte mensuur!
Stel de halsmensuur is 130mm?
Dan is de berekening als volgt:
130:5 = 26mm x 7 --> 182 mm
Mensuur wordt dan: (182 + 5) + 130mm = 317 mm. Dus dan moet de kam op die positie (187 mm) worden geplaatst, gemeten vanaf de buitenste rand ongeacht de inkepingen van de f-gaten. Die zijn soms fout geplaatst. Als de kam een paar mm's in positie gewijzigd moet worden heeft dat onmiddellijk effect op de klank! Want in feite is daarmee ook de positie van de stapel gewijzigd!

Ik hoop dat het hiermee duidelijk is.