Ik heb me misschien iets te sterk uitgedrukt, het is zo dat ik zijn uitvoeringen vaak eerder technisch en minder expressief vindt. Dit maakt dat er heel wat uitvoeringen zijn die ik veel liever gespeeld hoor worden door een andere violist. Hij lijkt bijvoorbeeld vaak een extra hoog tempo aan te nemen, niet omdat het de muziek ten goede komt maar eerder om de virtuositeit van zijn spel te benadrukken.
Misschien maakt dit voorbeeld meer duidelijk:
Hierbij caprice nr 5 door Kavakos, Mintz, en Hadelich. Een stuk duidelijk bedoeld voor een virtuoos om zijn techniek ten toon te stellen. De uitvoering van Kavakos wordt duidelijk op de hoogste snelheid gespeeld, Mintz en Hadelich spelen iets trager maar gebruiken meer dynamiek. Ik verkies zelf absoluut de laatste 2. Het is iets dat me bij Kavakos in live setting vaak opvalt, op cd is dit al een stuk minder zo vindt ik zijn uitvoeringen op Bach: sei solo wel erg goed (hoewel ik sonata nr 1 ook veel liever hoor door bijvoorbeeld Perlman).
Hij mist vaak een stuk expressie en dynamiek die ik wel terughoor bij anderen, hierdoor is er een groot deel van zijn repertoire dat ik niet gemakkelijk zal opzetten.
Dank voor je reactie. En of je sterk hebt uitgedrukt is niet aan de orde, want je gaat over je eigen woorden. Temeer waar dit samenhangt met muzikale smaak en/of voorkeur. Maar wat ik nog steeds niet zo goed kan plaatsen is het feit dat met je oordeel over zijn uitvoering van deze caprice ook gelijk vonnist over zijn (wijze van) uitvoering van andere werken. Zoals, bijvoorbeeld, zijn uitvoering van de oorspronkelijke opzet van het vioolconcert van Sibelius uit 1903/04. De versie zoals nu wordt uitgevoerd betreft namelijk de herziening uit 1905. Maar terug naar de caprices van Paganini.
De caprices kun je niet beschouwen als een organische eenheid, aangezien Paganini ze in een tijdbestek van flink wat jaren op papier zette. Ook is niet bekend of hij ze in het openbaar uitvoerde, dit in contrast tot de minutieuze recensies van zijn optredens met andere van werken in kranten (en vaak de schandalig hoge gages die hij bedong tot onderwerp hadden). En ofschoon er boeken zijn volgeschreven over zijn spel, had en heeft niemand een idee hoe hij zijn caprices zelf speelde. Zij zijn bij zijn leven overigens wel bij Ricordi in druk verschenen. Als enige compositie, wel te verstaan.
Er zijn de afgelopen jaren de nodige opnamen met Paganini caprices in mijn vuilnisbak verdwenen. Simpelweg omdat ik op die muziek ben uitgeluisterd. Maar voor een beperkt soort vergelijkend onderzoek had ik nog de volgende opnamen om de duimstok naast te leggen: Ivan Kawaciuk, Viktor Pikaizen, Tossy Spivakovsky, Frank Peter Zimmermann, Tian-Wa Yang, Ruggiero Ricci (1949 en 1959), Marco Rogliano, Salvatore Accardo, Alexander Markov en Michael Rabin (1950 en 1958). Leonid Kogan heeft minstens vier keer in de jaren vijftig het eerste vioolconcert van Paganini opgenomen, maar helaas, voor zover ik weet, nooit de caprices. Tretyakov, Milstein en Heifetz evenmin.
Je memoreerde, kennelijk als bezwaar, het tempo dat Kavakos hanteert. Dan vallen gelijk twee kandidaten af, namelijk Viktor Pikaizen en Albert Markov. Simpelweg omdat zij de voorgeschreven streeksoort (voorgeschreven door wie eigenlijk?) hanteren. Maar het ‘Kavakos-tempo’ is bij anderen: Zimmermann, Tian-Wa Yang (zij was toen 13!), Rabin (1950) en Rogliano ook aan de orde. En de beroemde DECCA-opname van Ricci uit 1949 is nog aanmerkelijk sneller.
Ik vraag mij in dit verband af of een hoog tempo afbreuk doet aan ‘de muziek’: orkesten konden Heifetz in het derde deel van het vioolconcert van Mendelssohn en het slot van de ‘Zigeunerweisen’ van de Sarasate ook al niet bijhouden. En geen criticus stak een vinger op want Heifetz was heilig. Zit er zoveel muziek in de caprices? Zijn het niet eigenlijk betrekkelijk muzikale etudes? Net als de ‘École moderne’ van Wieniawski. Worden de caprices in muzikaal opzicht waardevoller bij een bedaagder tempo? Niet bedoeld als ‘Paganini-bashing’, want vijf van zijn zes (bekende) vioolconcerten vind ik wel moeite waard. Het jeugdwerk (concert nummer 6) leunt wel erg sterk op Viotti. En al die variatiewerken komen wel vaak op hetzelfde neer: thema, variaties met dubbelgrepen, variaties met dubbelflagoletten en tot slot pizzicato voor de linkerhand. Gevolgd door een uitsmijter. Stond al in de tekstverwerker, zal ik maar zeggen.
Bach gespeeld door Itzhak Perlman. Ik moet even aan het idee wennen. Geboren in Israël en daar ook initieel opgeleid door Rivka Goldgart, ademt zijn spel nog altijd de Russisch-Joodse toonvorming. ‘Mit Schmalz’, zal ik maar zeggen. Een ronduit fenomenaal violist. Maar Bach? Maar wellicht is dat tekenend voor mijn ambivalentie aangaande het spelen van de sonates en partita’s voor viool van Bach. De authentieke benadering is als zodanig interessant (haast ik mij er aan toe te voegen), maar die stukken blijven lastig, zal ik maar zeggen. Dus doe ik het voorlopig nog maar met twee verschillende uitvoeringen door Milstein en een even geweldige van Grumiaux.
De grote naam op het gebied van de uitvoering van genoemde werken is decennia lang Henryk Szeryng geweest. Een opmerkelijk nare man, maar dit terzijde. In ieder geval heeft zijn spel mij nooit aangesproken. Itzhak Perlman vertelde ooit dat als hij schitterend vioolspel op de radio hoorde hij bij zichzelf te rade ging wie de speler was. En als het spel inderdaad aan de hoogste eisen beantwoordde maar hij toch niet wist wie het was, moest het wel Szeryng zijn
