Beste Ferrie,
Dit is al eens eerder ter sprake geweest in een ander forum: Spel.
Hieronder het gekopieerde deel waar het gaat over de grootte van de altviool, post #12.
Het instrument (1):
Het aardige bij altviolen is, dat er veel meer variaties in vorm bestaan dan bij violen het geval is. Dat komt omdat het instrument eigenlijk qua corpus te klein is ten opzichte van zijn toonbereik. De meest gangbare maten voor altviolen liggen tussen de 38 en 43,7 cm, overeenkomend met de maten 15 – 17¼ inch.
Grootte altviool:
Toen de klassieke vioolbouwers leefden was de altviool nog geen solo-instrument. De muziek die de componisten ervoor schreven was technisch gezien niet zo veeleisend als voor viool of cello het geval was. De Barok-altviool had een veel kortere hals dan tegenwoordig gangbaar is. Daarbij komt ook nog eens dat nagenoeg alle bespelers in die tijd mannen waren, dus langere armen en grotere handen hadden dan vrouwen. Kortom: het speelgemak was geen probleem.
In het begin van de 20e eeuw, groeide de altviool uit tot solo-instrument ondermeer door toedoen van de altviolist Lionel Tertis die niet alleen een rijk cello-achtig geluid voorstond maar alleen modellen van minstens 17¼ inch geschikt achtte. Deze visie zou hebben kunnen bewerkstelligen dat er in die tijd bij vele altisten het beeld bestond: hoe groter hoe beter.
De huidige altmuziek is veel veeleisender waardoor grote instrumenten niet uren kunnen worden bespeeld, zonder een ‘lamme arm’ te krijgen.
Terug naar je vraag:
De bespeelbaarheid van een altviool hangt niet alleen van het instrument af, maar ook van de bespeler.
De keuze van de grootte van het instrument wordt bepaald door de lengte van de arm en de grootte van de hand! Bij een grote altviool zal de linker arm meer gestrekt zijn dan bij een viool. Hoe gestrekter de linker arm hoe minder speelruimte er is om de linker arm en elleboog naar binnen te draaien, waardoor de beweegbaarheid van de vingers drastisch wordt beperkt. Dit openbaart zich direct bij het spelen met de vierde vinger, die dan alleen nog maar gestrekt op de C-snaar gezet kan worden. Dan ontstaat er verlies in flexibiliteit, problemen met presto-spel en met vibrato, wat zich uiteindelijk manifesteert in een pijnlijke linker hand.
Instrument (2):
Een kortere halslengte maakt het spelen gemakkelijker maar heeft natuurlijk effect op de snaarlengte. Uitgaande van een 16¼ inch altviool (lengte over achterblad 41,2 cm) is de mensuur 225 mm. (Dat is de afstand tussen de F-kerven en de bovenrand van het blad). Een gangbare halslengte is hierbij 150 mm, wat de bekende verhouding 3:2 oplevert, die ook bij violen geldt. Die 3:2-deling maakt dat de intervallen exact dezelfde verhouding hebben als die van de viool. Dit lijkt van geen groot belang, maar wanneer dit wordt nagemeten bij de kleinere viooltjes, kom je meestal afwijkingen tegen. Gaat iemand dan over op een groter instrument met een juiste mensuur, dan treden er altijd in het begin aanpassingsproblemen op door een andere verhouding!
Om nu de bespeelbaarheid van de altviool te vergroten, wordt de halslengte vaak kleiner gemaakt waardoor de verhouding van de halslengte en de stoplengte verandert: bij een halslengte van 145 mm is die 3,1:2 geworden en bij een nog kortere hals van 140 mm zelfs 3,2:2. Standaard is en blijft 3:2.
Een paar voorbeelden van maten van altviolen van de oude meesters:
Een kleinere stoplengte betekent dat de f-gaten veel hoger zijn ‘ingeplant’ op de corpus. Dit toont aan dat er een volle 25 mm verschil zit in snaarlengte waardoor de bespeelbaarheid aanzienlijk wordt beïnvloed.
Ook is het zo dat de breedte van de corpus invloed heeft op het speelgemak, maar dat is ook weer een gewenning. Wat overeind blijft staan in dezen is, dat de beweegbaarheid van de linker hand gewaarborgd moet zijn.
Frits