Enige tijd geleden memoreerde ik mijn onverwachte ontmoeting met een barokviool en barokstok. De viool is overigens een indertijd in Italië aangeschafte kopie van een Amati. Welke Amati is nog niet bekend. Er is wel navraag naar gedaan maar er is sprake van een wat moeizame communicatie. De betrokken bouwer spreekt nagenoeg alleen Italiaans en bij de aankoop van de viool is destijds bemiddeld door de, Engels-sprekende, echtgenote van de vioolbouwer. Die mevrouw is er kennelijk niet meer. Wellicht gescheiden of, om een oom van Harry Jekkers te citeren, ligt ze misschien inmiddels aan de verkeerde kant van het gras.
Bij die gelegenheid heb ik de viool ‘geprobeerd’ met behulp van het eerste deel van vioolconcert in A klein van Bach. Ik heb dat concert vijftig jaar geleden gestudeerd op basis van de bewerking van iemand van lang geleden. Geen idee meer wie. Eigenlijk waren alle concerten en sonates uit de barok toentertijd bewerkt door lieden uit het, ook toen al, verre verleden. Mensen als Sitt, Hermann, Alard, Nachèz, David en Charlier. Kortom, bewerkers geworteld in de Romantiek en gewend aan het gebruik van de ‘moderne’, post-Tourte, strijkstok. Een gevolg hiervan is dat veel passages met 16e noten worden voorzien van ‘boogjes’. In concreto: boogjes die vier of acht of nog meer noten verbinden. Met een moderne stok geen enkel probleem, want Vieuxtemps en Wieniawski wurmden soms wel meer dan veertig of vijftig noten in een streek. Maar met een aanzienlijk kortere barokstok had ik daar wat moeite mee. Ik heb geen duimstok naast de stok gelegd, maar op het oog was de lengte iets meer dan zestig centimeter. Het ‘klonk’ eigenlijk ook niet, want met zo’n stok kun je nauwelijks kracht zetten. Niet in het minst door de, althans in mijn ogen, toch wat primitieve wijze waarop het haar van de stok wordt gespannen.
Om toch nog enig geluid(sniveau) uit een barokviool te halen, is wellicht het verhogen van de strijksnelheid denkbaar. Maar dat staat weer haaks op de geringe lengte van een barokstok. De enige oplossing lijkt mij dan ook het zoveel mogelijk uitbannen van het legato, ofwel de ‘boogjes’ en dat te vervangen door détaché-spel. En daar is een barokstok prima toe in staat.
Bij die gelegenheid heb ik de viool ‘geprobeerd’ met behulp van het eerste deel van vioolconcert in A klein van Bach. Ik heb dat concert vijftig jaar geleden gestudeerd op basis van de bewerking van iemand van lang geleden. Geen idee meer wie. Eigenlijk waren alle concerten en sonates uit de barok toentertijd bewerkt door lieden uit het, ook toen al, verre verleden. Mensen als Sitt, Hermann, Alard, Nachèz, David en Charlier. Kortom, bewerkers geworteld in de Romantiek en gewend aan het gebruik van de ‘moderne’, post-Tourte, strijkstok. Een gevolg hiervan is dat veel passages met 16e noten worden voorzien van ‘boogjes’. In concreto: boogjes die vier of acht of nog meer noten verbinden. Met een moderne stok geen enkel probleem, want Vieuxtemps en Wieniawski wurmden soms wel meer dan veertig of vijftig noten in een streek. Maar met een aanzienlijk kortere barokstok had ik daar wat moeite mee. Ik heb geen duimstok naast de stok gelegd, maar op het oog was de lengte iets meer dan zestig centimeter. Het ‘klonk’ eigenlijk ook niet, want met zo’n stok kun je nauwelijks kracht zetten. Niet in het minst door de, althans in mijn ogen, toch wat primitieve wijze waarop het haar van de stok wordt gespannen.
Om toch nog enig geluid(sniveau) uit een barokviool te halen, is wellicht het verhogen van de strijksnelheid denkbaar. Maar dat staat weer haaks op de geringe lengte van een barokstok. De enige oplossing lijkt mij dan ook het zoveel mogelijk uitbannen van het legato, ofwel de ‘boogjes’ en dat te vervangen door détaché-spel. En daar is een barokstok prima toe in staat.