Het doorbladeren van een groot aantal inmiddels gedateerde jaargangen van ‘The Strad’, aangeschaft samen met het lid Sibelius van deze groep (is hij eigenlijk nog als lid actief?) levert, naast leesvoer in de vorm van recensies van lang geleden van concerten en recitals in Londen en New York/ de aankondiging van nieuwe enorme talenten die inmiddels alweer volkomen vergeten zijn/de rubriek (Phillips en Sotheby) ‘sales’ die een aardige schets biedt van de stormachtige, zeg maar exponentiële, prijsontwikkeling van zowel strijkinstrumenten als strijkstokken, ook nog wel eens een artikel op dat de fantasie prikkelt. Of althans mijn fantasie.
Het artikel ‘Bent violin fronts’ in de aflevering van april 1991 is daar een aardige illustratie van. De schrijver, Ieunan Owen, gaat uit van de gedachte dat het bovenblad bepalend is voor de klank van een viool. En hij vraagt zich in dat verband af of in het verleden de welving van bovenbladen (en achterbladen) werd bewerkstelligd door buigen in plaats van het gebruikelijke verwijderen van hout. De zijkanten (ribben) worden namelijk ook gebogen. Buigen biedt namelijk als voordeel dat de nerf (the grain) zo lang mogelijk in takt blijft, hetgeen zou leiden tot zowel beter akoestische als mechanische eigenschappen. Hij verwijst in dit verband naar de resultaten van onderzoek van zowel Bucur als Oliver-Rogers in ‘The journal of the Catgut Acoustical Society (no. 41)’ en van Athanus Lolov in een publicatie over dit onderwerp in ‘the Journal of the Galpin Society (no. XXXVII), maart 1984’.
In deze laatste publicatie stelt Lolov aan de orde dat de instrumenten van Stradivarius en Guarneri, naast een ‘mysteriously irreproducible beauty and power of tone’, ook fysieke eigenaardigheden vertonen die tegen de achtergrond van de traditionele vioolbouw niet goed zouden zijn te verklaren. Hij noemt in dat verband in hoogte verlopende ribben (tapered ribs), vervormde f-gaten en het feit dat de nerf van het bovenblad bij de centrale voeg (lijmnaad) schijnt af te buigen ((the grain of the top appears to converge slightly at the extremities of the centre joint – easily confused with irregularities in the wood).
Hij noemt ook het feit dat Stradivarius het hout voor bovenbladen zelf spleet en dus kennelijk geen hout gebruikte dat jarenlang was gedroogd. En dan stelt hij een tweetal vragen aan de orde:
- kan een dikkere plank in kortere tijd zodanig goed drogen dat het hout veilig in een viool kan worden gebruikt?
En naar aanleiding daarvan:
- is het mogelijk uit vers hout dunnere platen te zagen (of te splijten), deze platen met behulp van wiggen en een klem de welving van een bovenblad aan te laten nemen zodanig dat na het drogen (qua duur hiervan spreekt de schrijver spreekt over ‘a season’) de welving ook permanent in stand blijft? Hij wijst er daarbij op dat bij de gereedschappen van makers uit een ver verleden wiggen zijn aangetroffen, waarbij het niet duidelijk is welke rol deze bij de vioolbouw hebben gespeeld.
Aangezien ook hier ‘the proof of the pudding in the eating’ is, is de heer Owen aan de slag gegaan. Uitgangspunt hierbij waren twee niet gedroogde, spiegelbeeldige planken met een dikte van 5/16 inch elk. Ten einde te voorkomen dat ik bij mijn vertaling mogelijk in de fout ben gegaan, er is sprake van ‘two unseasoned book-matched slabs of spruce, each 5/16 inches thick’.
Het plaatsen van de twee foto’s uit het artikel in dit bericht zou mij veel uitleg besparen, maar ik heb geen idee of dat mogelijk is. Dus aan de hand van die foto’s het volgende (graag enig begrip voor het feit dat ik geen vioolbouwer ben).
Voorafgaand aan het buigingsproces zijn de buitenkanten van de twee delen vooraf in vorm gezaagd. Denk maar aan een bestaand boven- of onderblad dat weer in twee delen is gesplitst. Beide bladen worden met de buitenkant naar beneden geplaatst tussen twee houten vormen die doen denken aan een in tweeën gezaagde buitenmal waarin een viool wordt gebouwd. Op die vormen worden vervolgens drie lijmklemmen geplaatst: bij de onderkant en de bovenkant van blad en één in het midden (van de buitenkant). Vervolgens wordt een tweetal wiggen tussen de beide platen geschoven ter hoogte van de upper en lower bouts. Volledigheidshalve: dit inschuiven gebeurt vanaf het midden van de beide (halve) bladen. De schrijver geeft helaas geen maten voor die wiggen, maar die zullen ongeveer uitkomen op de helft van een bladhelft. Tenslotte worden de (drie) lijmklemmen aangedraaid.
Echt makkelijk gaat het allemaal niet, want aan voor dit doel geschikt ‘nat’ hout is moeilijk te komen. Voorts splijt het hout wel eens tijdens het drogingsproces in de klem.
De volgende stap is het schaven van de binnenkanten van de platen. Ik bedoel de vlakken waarmee de platen tegen elkaar moeten worden gelijmd. Dit ten einde uiteindelijk een ‘heel’ blad te vormen. Overigens is het, volgens de eerdergenoemde heer Lolov, niet ondenkbaar dat het blad niet plat op de ribben ligt (‘the plate does not always lie flat’). Enig gebruik van druk ten einde het blad te laten aansluiten bij de ribben is dan de oplossing. Om de heer Owen tenslotte zelf aan het woord te laten: ‘A certain amount of pressure is then needed to press this part of the plate down to the ribs - a plausible motive for tapering the ribs slightly as did so many of the early makers’.
Een voordeel is wel dat de uiteindelijke vormgeving, zeg maar het bijwerken van de bladen, beperkt kan blijven. De ‘vorm’ zit er als gevolg van het buigingsproces al in. En voorts schraap of schaaf je met de nerf mee. En er niet meer doorheen.
Op basis van de hiervoor beschreven benadering is een aantal violen gebouwd. ‘Met redelijk succes (with a certain amount of modest succes)’, vindt de schrijver zelf. In ieder geval voldoende aanleiding om door te gaan met experimenteren.
Hopf
Het artikel ‘Bent violin fronts’ in de aflevering van april 1991 is daar een aardige illustratie van. De schrijver, Ieunan Owen, gaat uit van de gedachte dat het bovenblad bepalend is voor de klank van een viool. En hij vraagt zich in dat verband af of in het verleden de welving van bovenbladen (en achterbladen) werd bewerkstelligd door buigen in plaats van het gebruikelijke verwijderen van hout. De zijkanten (ribben) worden namelijk ook gebogen. Buigen biedt namelijk als voordeel dat de nerf (the grain) zo lang mogelijk in takt blijft, hetgeen zou leiden tot zowel beter akoestische als mechanische eigenschappen. Hij verwijst in dit verband naar de resultaten van onderzoek van zowel Bucur als Oliver-Rogers in ‘The journal of the Catgut Acoustical Society (no. 41)’ en van Athanus Lolov in een publicatie over dit onderwerp in ‘the Journal of the Galpin Society (no. XXXVII), maart 1984’.
In deze laatste publicatie stelt Lolov aan de orde dat de instrumenten van Stradivarius en Guarneri, naast een ‘mysteriously irreproducible beauty and power of tone’, ook fysieke eigenaardigheden vertonen die tegen de achtergrond van de traditionele vioolbouw niet goed zouden zijn te verklaren. Hij noemt in dat verband in hoogte verlopende ribben (tapered ribs), vervormde f-gaten en het feit dat de nerf van het bovenblad bij de centrale voeg (lijmnaad) schijnt af te buigen ((the grain of the top appears to converge slightly at the extremities of the centre joint – easily confused with irregularities in the wood).
Hij noemt ook het feit dat Stradivarius het hout voor bovenbladen zelf spleet en dus kennelijk geen hout gebruikte dat jarenlang was gedroogd. En dan stelt hij een tweetal vragen aan de orde:
- kan een dikkere plank in kortere tijd zodanig goed drogen dat het hout veilig in een viool kan worden gebruikt?
En naar aanleiding daarvan:
- is het mogelijk uit vers hout dunnere platen te zagen (of te splijten), deze platen met behulp van wiggen en een klem de welving van een bovenblad aan te laten nemen zodanig dat na het drogen (qua duur hiervan spreekt de schrijver spreekt over ‘a season’) de welving ook permanent in stand blijft? Hij wijst er daarbij op dat bij de gereedschappen van makers uit een ver verleden wiggen zijn aangetroffen, waarbij het niet duidelijk is welke rol deze bij de vioolbouw hebben gespeeld.
Aangezien ook hier ‘the proof of the pudding in the eating’ is, is de heer Owen aan de slag gegaan. Uitgangspunt hierbij waren twee niet gedroogde, spiegelbeeldige planken met een dikte van 5/16 inch elk. Ten einde te voorkomen dat ik bij mijn vertaling mogelijk in de fout ben gegaan, er is sprake van ‘two unseasoned book-matched slabs of spruce, each 5/16 inches thick’.
Het plaatsen van de twee foto’s uit het artikel in dit bericht zou mij veel uitleg besparen, maar ik heb geen idee of dat mogelijk is. Dus aan de hand van die foto’s het volgende (graag enig begrip voor het feit dat ik geen vioolbouwer ben).
Voorafgaand aan het buigingsproces zijn de buitenkanten van de twee delen vooraf in vorm gezaagd. Denk maar aan een bestaand boven- of onderblad dat weer in twee delen is gesplitst. Beide bladen worden met de buitenkant naar beneden geplaatst tussen twee houten vormen die doen denken aan een in tweeën gezaagde buitenmal waarin een viool wordt gebouwd. Op die vormen worden vervolgens drie lijmklemmen geplaatst: bij de onderkant en de bovenkant van blad en één in het midden (van de buitenkant). Vervolgens wordt een tweetal wiggen tussen de beide platen geschoven ter hoogte van de upper en lower bouts. Volledigheidshalve: dit inschuiven gebeurt vanaf het midden van de beide (halve) bladen. De schrijver geeft helaas geen maten voor die wiggen, maar die zullen ongeveer uitkomen op de helft van een bladhelft. Tenslotte worden de (drie) lijmklemmen aangedraaid.
Echt makkelijk gaat het allemaal niet, want aan voor dit doel geschikt ‘nat’ hout is moeilijk te komen. Voorts splijt het hout wel eens tijdens het drogingsproces in de klem.
De volgende stap is het schaven van de binnenkanten van de platen. Ik bedoel de vlakken waarmee de platen tegen elkaar moeten worden gelijmd. Dit ten einde uiteindelijk een ‘heel’ blad te vormen. Overigens is het, volgens de eerdergenoemde heer Lolov, niet ondenkbaar dat het blad niet plat op de ribben ligt (‘the plate does not always lie flat’). Enig gebruik van druk ten einde het blad te laten aansluiten bij de ribben is dan de oplossing. Om de heer Owen tenslotte zelf aan het woord te laten: ‘A certain amount of pressure is then needed to press this part of the plate down to the ribs - a plausible motive for tapering the ribs slightly as did so many of the early makers’.
Een voordeel is wel dat de uiteindelijke vormgeving, zeg maar het bijwerken van de bladen, beperkt kan blijven. De ‘vorm’ zit er als gevolg van het buigingsproces al in. En voorts schraap of schaaf je met de nerf mee. En er niet meer doorheen.
Op basis van de hiervoor beschreven benadering is een aantal violen gebouwd. ‘Met redelijk succes (with a certain amount of modest succes)’, vindt de schrijver zelf. In ieder geval voldoende aanleiding om door te gaan met experimenteren.
Hopf