Vroeger was er een man in onze kerk die muzikaal was en dat niet alleen maar hij schreef zelf ook muziek. Op een dag richte hij een muziekclubje op. Dit clubje zou ten doel hebben om mensen die nog niet bekeerd waren met muziek te laten inzien dat ze op de verkeerde weg waren. Hij wist wat jongelui uit de kerk te strikken voor dit muziekclubje en vlak voor kerstmis was het een feit.
Het muziekclubje droeg de naam Jubaliana, referend aan de eerste muzikant, de heer Jubal.
Achter zijn huis had de heer Tjipkes een schuurtje en daar werd iedere week gerepeteerd.
Hij had ook het aanvangslied geschreven, dat ging zo. Jongens en meisjes van jubaliana wij zijn verheugd en blij.
Dan kwam er een heel stuk waarom wij zo blij waren, en dan was de laatste zin, daarom spelen en zingen wij.
Het was dus een muziekclubje waarbij gezongen en gespeeld werd.
Op een zonnige koude dag verzocht de heer Tjipkes mij dringend om ook lid te worden van zijn muziekclubje.
Ik heb gitaren zei hij en mandolines en ook een mondharmonica, en nu zou het zo fijn zijn als jij er ook met je viool bijkwam.
Ik aarzelde want ik had het in die dagen nogal hoog in mijn bol, en ik keek een beetje op zijn clubje neer.
Maar goed hij wist me met behulp van mijn ouders over de streep te trekken en zo trad ik toe als violist van Jubaliana.
Wij traden in de zomer ook vaak buiten op. Er was dan kermis en wij trachten met onze muziek, de mensen af te houden van dit zondige vermaak.
Op een mooie zomeravond speelde wij buiten voor de oudjes van een bejaardenhuis. Het was een somber gebouw met een grote binnenplaats en een toegangspoort.
Met ons mee ging vaak een vrouw die zich vroeger in zonden had gewenteld, maar nu bekeerd was en daar getuigde ze dan van.
Ook deze zomeravond vertelde ze met een somber gezicht wat ze allemaal had uitgespookt. En na iedere ontboezeming riep ze, en weet je waar ik terecht ben gekomen, in de goot.
Ik beet dan op mijn lippen, want ik kon na die uitroep altijd moeilijk mijn lachen inhouden. Ik zag het mens in mijn verbeelding dan letterlijk in de goot liggen.
De oudjes echter verhikte nog verschrikte, en keken haar met onbewogen gezichten aan.
Na deze getuigenis kwam ons aandeel in de bekering. De heer Tjipkes stond op en tikte met zijn dirigeer stokje in de hand.
Dan buitelde de muziek door de warme wat schemerige zomeravond en opeens was de wereld goed.