Geachte jmsuijkerbuijk,
Als ik uw reactie probeer samen te vatten, leidt dat tot het volgende:
- de platenindustrie brengt in de 21ste eeuw een veel breder repertoire uit dan het ijzeren repertoire alleen;
- de concertzaal is helaas wel het podium voor genoemd ijzeren repertoire. Maar dat is het gevolg is van de opvatting van de overheid over linkse hobby’s;
- de vraag of we een solist moeten bekritiseren omdat hij/zij niets meer aankan met een stuk dat al duizenden keren is gespeeld?
- de vraag of we een solist moeten bekritiseren omdat hij/zij alleen maar technische perfectie tentoonspreidt?
- Muziek in het verleden is niet gecomponeerd in het besef dat mechanische reproductie (tot in het oneindige) op enig moment tot de mogelijkheden zou behoren;
- de vraag of het feit dat een bepaalde solist mij niets zegt, als een algemeen geldende observatie moet worden beschouwd;
- de vraag of mijn luistermoeheid invloed heeft op het beoordelen van de kwaliteit van een solist;
- enige ironie met betrekking tot de vaststelling dat vroeger alles beter was;
- de tegenwoordige solist verkeert in een veel moeilijke positie dan die uit het verleden;
- lieden als Kreisler en Joachim hadden in hun tijd veel minder concurrentie te duchten.
Aan de zinsnede: ‘Slechts een paar vragen uit de dozijnen die ik verzinnen kan om ernstige vraagtekens bij enkele van de bovenstaande posten te plaatsen’ (ik kon de verleiding niet weerstaan de oorspronkelijke syntaxis te handhaven), ben ik voorbij gegaan. Ten eerste omdat ik op niet gestelde vragen niet kan ingaan. En voorts omdat de wat holle retoriek in de trant van ‘ik meen namens vele duizenden te spreken’, mij niet zo aansprak. Maar dit terzijde.
- De platenindustrie brengt in de 21ste eeuw een veel breder repertoire uit dan het ijzeren repertoire alleen; kostendrempel???
Het spijt mij, maar behoudens in het geval van het Naxos-label ik kan uw enthousiasme niet delen. Want ik zie, ook op de kleinere labels, dirigenten die zo nodig weer complete symfonische cycli moeten opnemen. Maar ik geef toe, het Grand Septet van Kreutzer is eindelijk verkrijgbaar. En het Nonet van Spohr. Maar voor de rest zie ik alleen maar eindeloze rijen heruitgaven (voor veel te veel geld). De enige echte verbreding die ik zie is de stroom van historische opnamen. Maar daar is een simpele verklaring voor, namelijk dat het copyright van die opnamen in Europa is verlopen. En om nou te voorkomen dat Naxos ook dat weer gaat uitgeven, proberen Universal en EMI op deze wijze iedereen voor te blijven. Maar koop gerust Naxos, want de transfers van Mark Obert-Thorn zijn superieur aan die van EMI.
Het gestelde over de ‘enorm verlaagde kostendrempel’ vermag ik niet te doorgronden anders dan de omstandigheid dat Naxos zijn artiesten afscheept met een fooi.
- De concertzaal is helaas wel het podium voor genoemd ijzeren repertoire. Maar dat is het gevolg is van de opvatting van de overheid over linkse hobby’s;
Ik ben het met u eens dat de verantwoordelijk staatssecretaris, wiens meest in het oog springende verdienste is dat hij in een eerder leven secretaris was van een postduivenvereniging, niet echt geïnteresseerd lijkt in cultuur. En ik vrees met u dat een aantal orkesten deze no-nonsense benadering niet of nauwelijks zal overleven. Maar dat is niet het hele verhaal. Ik vrees dat ik weer met Norman Lebrecht op de proppen moet komen, want die heeft het allemaal keurig uitgezocht. De meeste orkesten zijn in grote moeilijkheden geraakt door de exorbitante vergoedingen voor dirigenten en solisten en dan met name zangers. In de jaren vijftig en zestig zijn al die keurige, ouderwetse, verantwoordelijke impresario’s namelijk opzij geschoven door sportmanagement. En tja, dan blijft er niet al te veel over voor het orkest. Voor de goede orde: de liquiditeit van het Philadelphia Orchestra op dit moment is nog toereikend voor drie maanden salaris.
Een tweede punt in dit verband raakt aan het conservatisme van het publiek.
- De vraag of we een solist moeten bekritiseren omdat hij/zij niets meer aankan met een stuk dat al duizenden keren is gespeeld?
Ik vrees dat het antwoord bevestigend moet luiden, want als de solist ‘niets meer aankan met een stuk’ houdt dit in dat hij/zij al spelende weg niet meer staat te doen dan een kunstje. Muziek is herscheppen. En als dit, om welke reden dan ook, niet meer aan de orde is, wordt het sleur.
- De vraag of we een solist moeten bekritiseren omdat hij/zij alleen maar technische perfectie tentoonspreidt?
Technische perfectie is het hoogst haalbare. Maar dan bedoel ik een complexer begrip namelijk inclusief, bijvoorbeeld, toonvorming, voordracht en interpretatie. Als echter een solist met een louter ‘technische’ bagage wordt bedoeld, ben ik bang dat het antwoord ook hier bevestigend is. Er is volstrekt niets tegen huzarenstukjes (ik ben een zorgvuldig verzamelaar en liefhebber van alle mogelijke aartslastige operafantasieën), maar na een zekere tijd gaat het vervelen. Daarbij luister je anders naar de Othellofantasie van Heinrich Ernst dan het vioolconcert van Alban Berg. Overigens is dit niet zozeer een kwestie van het bekritiseren van een solist als wel het simpelweg niet meer luisteren.
- Muziek in het verleden is niet gecomponeerd in het besef dat mechanische reproductie (tot in het oneindige) op enig moment tot de mogelijkheden zou behoren;
Mee eens. Daarbij was Nostradamus geen componist. Het is in dit overigens leerzaam kennis te nemen van de negatieve opvattingen van zowel Furtwängler als Klemperer over plaatopnamen. Von Karajan was enthousiaster, maar die nam dan ook om de vijf jaar alles opnieuw op. Bij mijn weten de enige die geïnteresseerd was in geluids- en opnametechniek.
- De vraag of het feit dat een bepaalde solist mij niets zegt, als een algemeen geldende observatie moet worden beschouwd;
Nee, want ik ben niet de maat der dingen.
- De vraag of mijn luistermoeheid invloed heeft op het beoordelen van de kwaliteit van een solist;
Leuke vraag. Maar eigenlijk is het antwoord simpel. Want als een solist mij aanspreekt, heb ik geen last van luistermoeheid.
- Enige ironie met betrekking tot de vaststelling dat vroeger alles beter was;
Dat lijkt inderdaad een inkoppertje. Maar het is niet wat ik bedoel. Als ik, mij beperkend tot violisten, luister naar Kreisler, Oistrach, Heifetz, Milstein, Thibaud, Enescu, Kogan, Tretjakov, Hirschhorn, Prihoda, Poliakin (Myron, niet die neef) Elman en Grumiaux (ik zal maar stoppen), hebben zij allemaal een eigen geluid. Een individueel geluid. En los van de vraag of zij deel uitmaakten van een ‘school’ of het kritiekloze resultaat waren van een ‘pedagoog’, moet worden vastgesteld dat de meesten de tijd kregen te rijpen. Inderdaad een voorrecht ten opzichte van al die nu vroegtijdig voor de haaien gegooide jonge ‘talenten’.
Kreisler en Thibaud hebben jarenlang in orkesten gespeeld. En Vasa Prihoda in een caféstrijkje.
- De tegenwoordige solist verkeert in een veel moeilijke positie dan die uit het verleden;
Ondanks de stelligheid van de opvatting vraag ik mij dat ten zeerste af. Want waarom zou een aankomend solist uit 1880 het makkelijker hebben gehad dan een aankomend solist van nu? Je kon alleen bekendheid opbouwen met gestaag optreden, beginnend in kleine provincieplaatsen. Voor mijn part op het biljart. En als je goed was en geluk had, wachtte het grote succes. Maar er waren geen radiouitzendingen of bekendheid bevorderende plaat- of CD-opnamen. Of de mogelijkheid tot downloaden.
En dan is er nog wat. Want waar staat geschreven dat iedereen die een instrument kan vasthouden, automatisch geroepen is tot het solistendom? Zitten al die symfonieorkesten vol met gefnuikte solisten?
- Lieden als Kreisler en Joachim hadden in hun tijd veel minder concurrentie te duchten
Volgens mij werd de tweede helft van de 19e eeuw gekenmerkt door virtuozen. Want het publiek van toen, dat muziek nog niet als een soort katharsis zag, verlangde dat namelijk. En dat leidde tot violisten als Heinrich Ernst (volgens Joachim de beste violist van de 19e eeuw), de Sarasate, Vieuxtemps, Wieniawski, Laub, de Saint-Lubin, Lipinski, Thomson, Bazzini, Kubelik, Marteau, Ysaÿe, Burmester en nog vele anderen. En in Amerika had Kreisler te maken met Heifetz, Elman, Milstein en Gimpel. Dus om nou te zeggen dat sprake was van minder concurrentie ……………… Maar er was kennelijk ruimte voor iedereen. En het is de vraag of het industriële ´stardom´ van tegenwoordig die ruimte nog biedt.
Hopf