citaat:
"Ik blijf speuren"
Zoals dus eerder beloofd:
Ik heb nog even wat speurwerk verricht aangaande de vraag waaròm er die halve toonsafstanden zitten op de 3-4 en de 7-8 posities (de kleine secundes). In het boekwerk van Theo Willemze “Algemene Muziekleer” kom ik in §280 en verder, onderstaande uitspraak tegen: “de verovering van het onbezette toongebied”. Daarmee wordt bedoeld de ruimte tussen de grote secunde.
Die verovering geschiedde –aldus Theo Willemze- in de periode van 1000 tot 1400. Het eerst raakte ‘bezet’ de toon tussen de a en de b. En nu komt het: “de toon die daar in kwam voelde men, beschouwde men, hoorde men, waardeerde men (en wàs ook!) als een toon die van de (een halve toon hoger gelegen) b was afgeleid. Men noemde deze toon de b mollum (zachte b), in tegenstelling tot de oorspronkelijke b, die men de harde b noemde (b durum).”
En dan in §282 staat te lezen:
“naar analogie van deze toonafleiding ontstonden naderhand andere, nieuwere: naast de e bijvoorbeeld ontstond door afleiding een verlaagde e, die ook het toongebied tussen de d en de e bezette. Men leerde ook door verhoging tonen af te leiden, zò dat de nieuwgevonden tonen nog onbezette plaatsen konden vullen: uit de toon f leidde men een verhoogde f af die het gebied tussen f en g kon bezetten.”
Met andere woorden: de kleine secunde heeft zich in de loop der tijden gevoelsmatig ontwikkeld! Is dus niet mathematisch afgeleid! Misschien wel achteraf af te leiden?
Bron:
Auteur: Theo Willemze
Titel: Algemene Muziekleer
Uitgave: twaalfde verbeterde druk 1993 (AULA reeks)
Uitgever: Uitgeverij Het Spectrum B.V.
ISBN: 90 274 1817 9
Mogelijk dat iemand hier weer mee verder kan? Ik heb er in ieder geval weer wat bijgeleerd!
"Ik blijf speuren"
Zoals dus eerder beloofd:
Ik heb nog even wat speurwerk verricht aangaande de vraag waaròm er die halve toonsafstanden zitten op de 3-4 en de 7-8 posities (de kleine secundes). In het boekwerk van Theo Willemze “Algemene Muziekleer” kom ik in §280 en verder, onderstaande uitspraak tegen: “de verovering van het onbezette toongebied”. Daarmee wordt bedoeld de ruimte tussen de grote secunde.
Die verovering geschiedde –aldus Theo Willemze- in de periode van 1000 tot 1400. Het eerst raakte ‘bezet’ de toon tussen de a en de b. En nu komt het: “de toon die daar in kwam voelde men, beschouwde men, hoorde men, waardeerde men (en wàs ook!) als een toon die van de (een halve toon hoger gelegen) b was afgeleid. Men noemde deze toon de b mollum (zachte b), in tegenstelling tot de oorspronkelijke b, die men de harde b noemde (b durum).”
En dan in §282 staat te lezen:
“naar analogie van deze toonafleiding ontstonden naderhand andere, nieuwere: naast de e bijvoorbeeld ontstond door afleiding een verlaagde e, die ook het toongebied tussen de d en de e bezette. Men leerde ook door verhoging tonen af te leiden, zò dat de nieuwgevonden tonen nog onbezette plaatsen konden vullen: uit de toon f leidde men een verhoogde f af die het gebied tussen f en g kon bezetten.”
Met andere woorden: de kleine secunde heeft zich in de loop der tijden gevoelsmatig ontwikkeld! Is dus niet mathematisch afgeleid! Misschien wel achteraf af te leiden?
Bron:
Auteur: Theo Willemze
Titel: Algemene Muziekleer
Uitgave: twaalfde verbeterde druk 1993 (AULA reeks)
Uitgever: Uitgeverij Het Spectrum B.V.
ISBN: 90 274 1817 9
Mogelijk dat iemand hier weer mee verder kan? Ik heb er in ieder geval weer wat bijgeleerd!