Dag Fred,
Over de dikte van de toets. Dat heeft allemaal te maken met het ‘tunen’ van de corpus met andere onderdelen zoals staartstuk, toets, massa krul met stemsleutels. Er zijn hele verhandelingen over geschreven en gepubliceerd. Volgens Marleen Hutchins is het de kunst de A0 en de B0 met elkaar gelijk te krijgen, te ‘matchen’. De A0 is dan de Helmholzfrequentie en de B0 de frequentie van de toets. Men noemt dat de eigen-mode koppeling. Instrumenten met A0-B0 koppeling (en indien mogelijk ook Tf-koppeling van het staartstuk) schijnen uiterst attractief te bespelen te zijn.
Je kunt de frequentie van de toets heel gemakkelijk bepalen –tenminste als die er nog niet is opgelijmd- door met een vilten hamer op ongeveer 1/6 van de lengte de toets, gerekend vanaf de onderkant aan te slaan, waarbij er beetgepakt dient te worden zo hoog mogelijk bij het smalste gedeelte. Martin Schleske heeft een formule vast gesteld waarmee de B0-mode kan worden afgeleid:
F#n-2=1.67 x B0-mode. Stel dat er gemeten is dat de frequentie 463 Hz is, dan volgt hieruit voor de B0= 277 Hz. Die zou dan gelijk moeten zijn met de A0. Door nu de toets in te korten (of meer massa te geven door er wat aan te plakken) kan de B0 worden gewijzigd. Om nu te bekijken of inkorten zin heeft is daar ook een formule voor:
% verhoging B0 = dL x (0.153 x dL + 1.3097)
Je moet zorgen dat de A0 niet te hoog is, zo om en nabij de 270 Hz is prima.
Het is heel merkwaardig dat bij ogenschijnlijk twee identieke toetsen met exact dezelfde afmetingen toch een heel verschil kan zijn in gewicht en daardoor ook de frequentie: B0. Op zich is dat ook weer niet zo merkwaardig, want wanneer zich dat voordoet heb je te maken met verschillende dichtheden van het ebbenhout en dat kan gemakkelijk, geen boom is gelijk. Dat betekent dat in sommige gevallen de toetsdikte en/of lengte dient te worden aangepast voor een optimale klank.
Er zijn hele verhandelingen over geschreven, maar het gekke is, dat in het algemeen een toets volstaat die voldoet aan de 'voorgeschreven' dimensies. Soms zijn er uitzonderingen en vermoedelijk heb je daar eentje van gezien. Nu is 3 mm voor een 4/4-viool wel een beetje dun, daar heb je gelijk in. Maar het kan bewust gedaan zijn.
In feite gaat het ook goed met de krul wanneer men zich houdt aan de ge-eigende afmetingen en geen extreem lange schachten hanteert voor de stemsleutels of een buiten proportionele krul.
Frits