Misschien een open deur, maar ik doe een poging tot uitleggen. De G- (of viool-)sleutel is eigenlijk een gestyleerde G met een krulletje eraan. Als je de G erin probeert te ontdekken, zie je dat die precies om de 2e lijn van onder heen krult. Hij geeft dus aan dat de 2e lijn van onderen een g' is.
Net zoals een F-sleutel een gestyleerde F is, met de beide puntjes aan weerszijde van de f-lijn (de tweede lijn van boven).
Stel je voor dat noten eigenlijk op een balk met een groot aantal lijnen genoteerd zou kunnen worden. Voor de leesbaarheid gebruiken we echter niet dat grote aantal lijnen, maar we pakken er 5 uit, in het gebied waar de meeste noten zich bevinden, en alleen die geven we weer (en breiden dit desnoods tijdelijk uit met hulplijntjes). Meestal is dat voor de cello dus het 'gebied' aangegeven door de bassleutel, soms het gebied aangegeven door de vioolsleutel.
Het is zo, dat beide systemen (dus een notenbalk met g-sleutel en een notenbalk met f-sleutel) boven elkaar liggen, met ertussen 1 lijn die ontbreekt. De c die je met 1 hulplijntje
boven de balk met f-sleutel noteert, is dezelfde c die je met 1 hulplijntje
onder de balk met een g-sleutel noteert.
En dan is het slechts een kwestie van doortellen....
En om het echt ingewikkeld te maken: er is ook een sleutel die altijd die c'-lijn aangeeft, die tussen die beide balken ligt. Een hoekige c, geschreven als < met een zwierige krul aan de boven- en onderkant. En laat dat nu de c-sleutel zijn.

En om het nog ingewikkelder te maken: soms nemen we die c-lijn (met dus de sleutel op die lijn) met nog 1 lijn erboven en 3 eronder. Dan noemen de die c-sleutel de tenorsleutel, en soms nemen we die c-lijn met twee lijnen erboven en 2 lijnen eronder. Dan noemen we die zelfde c-sleutel de altsleutel (ik weet overigens niet of beide varianten ook voor de cello gebruikt worden).