De Haagse bankier Scheurleer verzamelde in zijn tijd, naast geld, van alles en nog wat. Boeken, prenten, bladmuziek en ook muziekinstrumenten. Maar ook toen werd de mensheid geteisterd door iets als een financiële crisis. En aangezien ook de bank Scheurleer tekenen van insolventie begon te vertonen, verkochten de (inmiddels) erven Scheurleer alles wat met muziek had te maken aan de gemeente Den Haag. De rest ging, meen ik, naar het Allard Piersonhuis in Amsterdam. De gemeente Den Haag heeft vervolgens het aangekochte deel van de collectie ondergebracht in het toen kersverse Gemeentemuseum.
Tot voor twintig? vijftien? jaar was die collectie nog te bezichtigen. Maar deze verdween vervolgens in het depot. Wellicht omdat de betrokken conservatoren van mening waren dat een huwelijk tussen enerzijds de schilders van de Haagsche School en Mondriaan en anderzijds een rariteit als een muziekinstrumentencollectie niet als geslaagd kon worden beschouwd. Of niet paste in een museum dat als redelijk modern door het leven wil gaan.
Ik herinner me van de Scheurleercollectie voornamelijk de 'Hollandse' violen. Die nu dus een langdurige winterslaap hielden in het depot. Een aanleiding om aan het Gemeentemuseum de vraag voor te leggen of (delen van) die verzameling 'ooit' nog eens deel uit zouden gaan maken van de vaste collectie. Tot mijn grote verrassing ontving ik van de conservator van de muziekcollectie (niet zozeer een strijkinstrumenten- als wel een toetsenbordenspecialist) een uitnodiging om maar eens te komen kijken. En dat heb ik afgelopen maandagmiddag gedaan. Diep in de krochten van het Gemeentemuseum. Achter talloos veel stalen deuren en beveiligingssystemen
Ik meende mij drie of vier of vijf violen te herinneren, maar de vioolverzameling, inclusief 'pochettes', bleek inmiddels uit zeventig stuks te bestaan. En vervolgens gingen de laden open. Want aangezien ik kenbaar had gemaakt voornamelijk 'Hollandse' violen te zien (vraag me achteraf niet waarom), werden die er dus uitgevist en, per stuk, in mijn gehandschoende hand geduwd. En daar sta je dan (vrij naar Theo Olof) met een Jacobs uit 1655 of een even stokoude Rombouts. Tussen de achterblijvende 'buitenlandse' violen ontwaarde ik hier en daar nog een Vuillaume, maar die bewaar ik voor een volgend bezoek.
Voor de liefhebber van details: ik heb met drie instrumenten van J.B. Cuyper waarvan één kwartviool), één van J.T. Cuyper, één van Rombouts, vijf van Jacobs, één van Bouwmeester, twee van van der Sijde, één van Verbeek en één van Hendrik Asseling in mijn handen gestaan. En regelrechte hebzucht maakte zich van mij meester :lol:
Er vindt overigens geen regelmatig onderhoud of controle plaats wat mij wat bevreemdde aangezien hier en daar, zelfs voor mijn niet al te geoefend oog, sprake was van een scheurtje. Alleen de Rombouts (dacht ik) zag er onberispelijk uit maar die was ook enkele jaren geleden door Willem Bouwman 'opgeknapt'. Overigens leidt vioollak ook na eeuwen kennelijk nog steeds een eigen chemisch bestaan, want in een enkel geval was de donkerbruine? donkerrode? lak deels bijna zwart geworden.
Voorts is niet sprake van speciale temperatuur- of vochtigheidsregeling: naar de mening van de conservator zijn de instrumenten met name gebaat bij een constante omgeving. Werkt ook bij mijzelf het beste
Tenslotte kon ik het niet laten de conservator lastig te vallen met de opvatting dat muziekinstrumenten niet in een museum thuishoren maar bespeeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan het instrumentenfonds. Maar de conservator bleek uit het echte museale hout gesneden te zijn: 'wij zijn geen bibliotheek'. :/
En er was nog een overweging, waarbij ik me inderdaad wel iets kan voorstellen: hoe waarborg je dat instrumenten die teruggaan tot 1655, bij een musicus 'thuis' oordeelkundig behandeld worden?
Hopf
Tot voor twintig? vijftien? jaar was die collectie nog te bezichtigen. Maar deze verdween vervolgens in het depot. Wellicht omdat de betrokken conservatoren van mening waren dat een huwelijk tussen enerzijds de schilders van de Haagsche School en Mondriaan en anderzijds een rariteit als een muziekinstrumentencollectie niet als geslaagd kon worden beschouwd. Of niet paste in een museum dat als redelijk modern door het leven wil gaan.
Ik herinner me van de Scheurleercollectie voornamelijk de 'Hollandse' violen. Die nu dus een langdurige winterslaap hielden in het depot. Een aanleiding om aan het Gemeentemuseum de vraag voor te leggen of (delen van) die verzameling 'ooit' nog eens deel uit zouden gaan maken van de vaste collectie. Tot mijn grote verrassing ontving ik van de conservator van de muziekcollectie (niet zozeer een strijkinstrumenten- als wel een toetsenbordenspecialist) een uitnodiging om maar eens te komen kijken. En dat heb ik afgelopen maandagmiddag gedaan. Diep in de krochten van het Gemeentemuseum. Achter talloos veel stalen deuren en beveiligingssystemen
Ik meende mij drie of vier of vijf violen te herinneren, maar de vioolverzameling, inclusief 'pochettes', bleek inmiddels uit zeventig stuks te bestaan. En vervolgens gingen de laden open. Want aangezien ik kenbaar had gemaakt voornamelijk 'Hollandse' violen te zien (vraag me achteraf niet waarom), werden die er dus uitgevist en, per stuk, in mijn gehandschoende hand geduwd. En daar sta je dan (vrij naar Theo Olof) met een Jacobs uit 1655 of een even stokoude Rombouts. Tussen de achterblijvende 'buitenlandse' violen ontwaarde ik hier en daar nog een Vuillaume, maar die bewaar ik voor een volgend bezoek.
Voor de liefhebber van details: ik heb met drie instrumenten van J.B. Cuyper waarvan één kwartviool), één van J.T. Cuyper, één van Rombouts, vijf van Jacobs, één van Bouwmeester, twee van van der Sijde, één van Verbeek en één van Hendrik Asseling in mijn handen gestaan. En regelrechte hebzucht maakte zich van mij meester :lol:
Er vindt overigens geen regelmatig onderhoud of controle plaats wat mij wat bevreemdde aangezien hier en daar, zelfs voor mijn niet al te geoefend oog, sprake was van een scheurtje. Alleen de Rombouts (dacht ik) zag er onberispelijk uit maar die was ook enkele jaren geleden door Willem Bouwman 'opgeknapt'. Overigens leidt vioollak ook na eeuwen kennelijk nog steeds een eigen chemisch bestaan, want in een enkel geval was de donkerbruine? donkerrode? lak deels bijna zwart geworden.
Voorts is niet sprake van speciale temperatuur- of vochtigheidsregeling: naar de mening van de conservator zijn de instrumenten met name gebaat bij een constante omgeving. Werkt ook bij mijzelf het beste
Tenslotte kon ik het niet laten de conservator lastig te vallen met de opvatting dat muziekinstrumenten niet in een museum thuishoren maar bespeeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan het instrumentenfonds. Maar de conservator bleek uit het echte museale hout gesneden te zijn: 'wij zijn geen bibliotheek'. :/
En er was nog een overweging, waarbij ik me inderdaad wel iets kan voorstellen: hoe waarborg je dat instrumenten die teruggaan tot 1655, bij een musicus 'thuis' oordeelkundig behandeld worden?
Hopf