Er bestaat onviolistische vioolmuziek. De verleiding voor deze muzikale aartsconservatief (wiens muzikale benul niet verder gaat dan Bartok) is groot hier een flink deel van de sindsdien gecomponeerder vioolmuziek onder te schuiven. Maar dat gaan anderen dan weer tegenspreken en het resultaat is een zinloze discussie. Dus laat ik mij bepalen tot een wat algemener aanvaard componist, namelijk Robert Schumann.
Schumann was van-huis-uit pianist. Althans opgeleid als pianist. En componeerder sindsdien uitsluitend pianomuziek. Zelfs als die muziek (ook) door strijkers moest worden uitgevoerd. Voornaamste grieven: erg veel 'pampam pampam-muziek' en muzikale ontwikkelingen die zich afspelen op de d- en de a-snaar. Voorbeelden te over: niet alleen de vioolsonates en het vioolconcert, maar ook veel strijkerspartijen in de symfonieën.
Maar daar wilde ik het niet over hebben :lol:, want dit stukje gaat over onviolistische toonsoorten. Velen van ons zijn gewend ('vertrouwd' gaat mij te ver), met het fenomeen toonladder in drie of vier octaven. Plus de aanpalende drieklanken en de bijbehorende tertsen-, sexten-, octaven- en deciementoonladders. Ik ben de laatste om het nut van toonladders te ontkennen. Maar ik heb de indruk dat de meer humanen onder de vioolopleiders zich ten aanzien van hun leerlingen beperken tot toonladders met hooguit drie tot vier kruizen of mollen. En de rest aan pianisten overlaten
In theoretische zin is dat natuurlijk laakbaar, want in beginsel moet iedere toonsoort worden beheerst. En dat met de toename van het aantal kruizen of mollen de zuiverheid een steeds groter probleem wordt, mag dan ook geen rol spelen. 'Wat is dan het probleem wel' vraagt u zich wellicht inmiddels af. Daartoe het volgende.
De klank van een viool wordt in belangrijke mate bepaald door het meeresoneren van 'losse' snaren. Maar bij as-klein, ais-klein, Ces-groot of Cis-groot resoneert er echt niets meer mee (hooguit als de viool ernstig is ontstemd). Pianisten kennen dit probleem niet.
Wellicht om die reden is erg veel vioolmuziek geschreven in toonsoorten die de drie, denkend aan Bach vier, kruizen of mollen niet te boven gaan. Er is zelfs een opmerkelijke voorkeur voor C-groot/a-klein, G-groot/e-klein, D-groot/b-klein, A-groot/fis-klein en E-groot/cis-klein. Zelfs Reger, in het algemeen verslaafd aan voorbetekening (en chromatiek), komt in zijn vioolconcert niet verder dan A-groot. Om de simpele reden dat het beter klinkt. De viool bedoel ik, niet dat concert :lol:
En dan treft het dat veel componisten van etudes, Rode is een aardig voorbeeld, voortdurend een blik mollen opentrekken. Iets dat de klank niet ten goede komt. Het enige dat ik mij kan voorstellen is het didactisch oogmerk de leerling te dwingen ook in het muzikale Poollandschap van as-klein de zuiverheid in ere te houden.
Hopf
Schumann was van-huis-uit pianist. Althans opgeleid als pianist. En componeerder sindsdien uitsluitend pianomuziek. Zelfs als die muziek (ook) door strijkers moest worden uitgevoerd. Voornaamste grieven: erg veel 'pampam pampam-muziek' en muzikale ontwikkelingen die zich afspelen op de d- en de a-snaar. Voorbeelden te over: niet alleen de vioolsonates en het vioolconcert, maar ook veel strijkerspartijen in de symfonieën.
Maar daar wilde ik het niet over hebben :lol:, want dit stukje gaat over onviolistische toonsoorten. Velen van ons zijn gewend ('vertrouwd' gaat mij te ver), met het fenomeen toonladder in drie of vier octaven. Plus de aanpalende drieklanken en de bijbehorende tertsen-, sexten-, octaven- en deciementoonladders. Ik ben de laatste om het nut van toonladders te ontkennen. Maar ik heb de indruk dat de meer humanen onder de vioolopleiders zich ten aanzien van hun leerlingen beperken tot toonladders met hooguit drie tot vier kruizen of mollen. En de rest aan pianisten overlaten
In theoretische zin is dat natuurlijk laakbaar, want in beginsel moet iedere toonsoort worden beheerst. En dat met de toename van het aantal kruizen of mollen de zuiverheid een steeds groter probleem wordt, mag dan ook geen rol spelen. 'Wat is dan het probleem wel' vraagt u zich wellicht inmiddels af. Daartoe het volgende.
De klank van een viool wordt in belangrijke mate bepaald door het meeresoneren van 'losse' snaren. Maar bij as-klein, ais-klein, Ces-groot of Cis-groot resoneert er echt niets meer mee (hooguit als de viool ernstig is ontstemd). Pianisten kennen dit probleem niet.
Wellicht om die reden is erg veel vioolmuziek geschreven in toonsoorten die de drie, denkend aan Bach vier, kruizen of mollen niet te boven gaan. Er is zelfs een opmerkelijke voorkeur voor C-groot/a-klein, G-groot/e-klein, D-groot/b-klein, A-groot/fis-klein en E-groot/cis-klein. Zelfs Reger, in het algemeen verslaafd aan voorbetekening (en chromatiek), komt in zijn vioolconcert niet verder dan A-groot. Om de simpele reden dat het beter klinkt. De viool bedoel ik, niet dat concert :lol:
En dan treft het dat veel componisten van etudes, Rode is een aardig voorbeeld, voortdurend een blik mollen opentrekken. Iets dat de klank niet ten goede komt. Het enige dat ik mij kan voorstellen is het didactisch oogmerk de leerling te dwingen ook in het muzikale Poollandschap van as-klein de zuiverheid in ere te houden.
Hopf