Beste Lotte,
wanneer je met vioolspelen begint, start je meestal in de eerste positie. Er staan voor de linkerhand vier vingers ter beschikking: te beginnen met de wijsvinger (1), middelvinger (2), ringvinger (3) en pink (4). Ik heb de cijfers erachter gezet omdat men altijd spreekt van eerste, tweede, derde en vierde vinger. Wanneer dan de vierde vinger op de snaar is gezet, zijn er geen vingers meer over. Om nu tóch hoger te kunnen -dus verder op de toets richting kam- moet de linker hand worden verplaatst. Verplaatst naar een hogere positie. Men kan van Positie I direct 'springen' naar positie II, III of IV (of nóg hoger).
De eerste vinger staat in positie IV op de plaats van de vierde vinger in positie I.
Evenzo: de eerste vinger in positie III staat op de plaats van de derde vinger van positie I. In alle posities hoger dan positie I schuift de linker hand dus op. Er bestaat ook een halve positie, die soms erg handig is. In dat geval schuift de hand dus een ietsje terug!
Ik hoop dat ik het duidelijk heb uitgelegd.