@ Gerard,
Er zijn bij een cello twee typen toetsen in omloop: de normale en meest gebruikte en een zogenoemde Romberg-type. Deze laatste heeft een vlak dus niet gekromd oppervlak ter plaatse van de C. Echter in beide gevallen wordt de uitholling in de lengterichting aangebracht. Ik heb even een afbeelding gezocht van een Romberg-toets uit mijn eigen 'gallery':

Een vergelijkbare uitholling moet ook aangebracht zijn voor de G, zij het wat minder diep. Eveneens in de lengterichting. Wanneer nu die beide uithollingen zijn aangebracht is er ook automatisch een uitholling aanwezig in de dwarsrichting. Deze uithollingen zijn geen ‘kanalen’ maar geleidelijk verlopende vlakken. Het is een heel precies werkje om een cellotoets goed te schaven c.q. te schrapen. De hoogte van het kielhoutje wordt meestal aangepast aan de voorkeur van de bespeler. De een wil wat meer actie, de ander vindt nauwelijks in hoeven drukken fijner spelen. De hoogte van het kielhoutje is uiteraard niet ongelimiteerd: er moet voldoende ruimte over blijven om ‘gerammel’ te voorkomen.
Wanneer de toets geen enkele uitholling zou hebben, helpt het verhogen van het kielhoutje niet, omdat er dan nog steeds geen ruimte aanwezig is voor de snaar om te trillen. Naarmate de posities hoger worden wordt de hoek die de betreffende snaar maakt met de kam, steeds scherper. De maximale amplitude (uitwijking van de trillende snaar) zit steeds exact in het midden van de aangestreken snaar tussen contactpunt en kam en verschuift richting kam bij hogere posities! Dat is een fysisch gegeven die hoort bij de trilling van een snaar (‘knopen’ en ‘buiken’).
Dat het probleem (‘rammel’) zich alleen voordoet bij de twee laagste snaren heeft alles te maken met de amplitude. Daarom zit er ter plaatse van de A, nauwelijks of geen uitholling in de toets, want de frequentie is veel hoger (220 Hz t.o.v. 65 Hz voor de C). Die A-snaar kan daarom ook veel dichter bij de toets zitten en dat is maar goed ook, want er zit meer spanning op die snaar, anders moet die zo ver worden ingedrukt dat het spelen van snelle passages beperkt wordt.
De kam verhogen als er géén uitholling zit geeft dezelfde problemen als eerder genoemd, zij het tot op zekere hoogte: naarmate de posities hoger worden zal het gerammel afnemen. Een nadeel is echter dat de snaren behoorlijk moeten worden ingedrukt.
Waarom is de vrees voor een eventuele klankverandering bij schrapen van de toets aanwezig? Bedenk dat zelfs weersveranderingen in de vorm van temperatuur en vooral relatieve vochtigheid ook invloed hebben op de klank. Zelfs de stand van de toets zal beïnvloed worden door de temperatuur en luchtvochtigheid. Of het opspannen van een nieuwe snaar zal het gehele instrument even uit balans brengen. Daarna zal zich weer een evenwicht instellen.
Frits