Volg de onderstaande video samen om te zien hoe u onze site kunt installeren als een web-app op uw startscherm.
Notitie: Deze functie is mogelijk niet beschikbaar in sommige browsers.
Ik heb met grote verbazing naar deze uitvoering geluisterd, althans voor een groot gedeelte, want ik heb het niet geheel afgeluisterd. Allereerst is het fantastisch wanneer er uitvoerenden zijn die het werk (willen) uitvoeren, want dat is niet iedere componist gegeven. Ik zal niet veel méér over de compositie zeggen dan dat het me maar matig heeft weten te boeien. Of het mooi of lelijk wordt gevonden is niet van belang, het gaat erom of de uitvoering voldoet aan de verwachtingen van Straver. Maar er zit mij iets dwars wat mogelijk ook te maken heeft met mijn beoordeling van deze compositie. Het gaat met name om de violiste Lina Uinskyte. Ik kende haar niet en heb eens even wat op het web afgestruind wie zij dan is en wat ze kan alsook audiovisuele fragmenten via YouTube. Ze heeft de school voor de kunsten afgerond in Vilnius en zich verder bekwaamd in het vioolspel. Is thans ‘professor aan het "Conservatorio Guido Cantelli" te Novara. Allemaal prachtig natuurlijk, maar wanneer ik de uitvoeringen beluister en bekijk komt dat bij mij niet overeen met wat ik allemaal op papier over haar lees. Ik vind de uitvoering van het derde deel van de vioolsonate opus 46 van Straver, belabberd uitgevoerd. Ik ben me ervan bewust dat het mogelijk nogal arrogant overkomt, maar dat is wat ik er van vind, ik kan er niets anders van maken: vér beneden de maat.
Er zijn violisten die dit vele malen beter kunnen! Dit is echt jammer van de compositie. Daarom zou ik deze sonate graag nog eens uitgevoerd horen worden door een andere violist!
Frits
Inderdaad ook de vraag die ik heb: waar zit em het belabberde dan in? De intonatie, timing, klank, interpretatie etc.?
Maurien zei:7:22.. Frits ik geef je helemaal gelijk... klinkt nergens naar![]()
Even een gekke vraag, zijn er geen standaards met een pedaal er op om de muziek om te slaan???
Dank voor uw reactie . Als ik die zou moeten samenvatten is uw werkwijze om tot een compositie te komen naar mijn mening vooral gericht op het creëren van iets afwijkends: het moet absoluut anders zijn dan het conventionele en zo mag het ook niet klinken. Zo ook met de gebruikte maatsoorten: het ‘mag ‘ geen reguliere 4/4-maat (“compleet regelmatig”)zijn, zo lees ik ergens. Waarom eigenlijk niet? Er zijn welhaast oneindig veel variaties mogelijk in een maatindeling met metrum en ritme die allemaal kunnen vallen onder de reguliere noemer. Maar u bent uiteraard vrij de compositie te maken zoals u die mooi vindt, dat blijft altijd overeind staan en onaantastbaar.
Treffend vind ik, dat u zelf toegeeft dat “de altviool- en pianopartij niets met elkaar te maken hebben, zij het dat de samenhang pas later komt”. Dan vraag ik me af: wanneer dan?
Om te onderbouwen dat die samenhang er wel degelijk is, haalt u aan, dat het stuk voor beide instrumenten in fis klein staat. Maar dat vind ik geen ontvankelijk bewijsmateriaal , want zo kunt u ook gaan beweren dat beide partijen in dezelfde periode zijn gecomponeerd en dat de maatvoering voor beide hetzelfde is evenals de stemming van de A (440 Hz) en dat “de noten niet willekeurig gekozen” zijn. Vooral dat laatste vind ik zwak als bewijsvoering voor samenhang tussen beide partijen. Als er dan al samenhang is mag die volgens u “niet manifest” zijn en “aan de oppervlakte” liggen, want anders wordt die te gemakkelijk ervaren en dat is cliché en dat zou leiden tot het snel uitgeluisterd zijn op het stuk. Hoezo? De symfonieën van Van Beethoven –om maar eens wat te noemen- worden toch ook al bijna twee eeuwen gespeeld? Daar is men nog steeds niet op uitgeluisterd.
Als alles echt anders moet zijn, dan bent u daar in uw muzikale werken in geslaagd maar ik blijf het een vreemd op zichzelf staand doel vinden.
De uitvoering met een echte altviool met echte pianobegeleiding doet het stuk veel beter tot zijn recht komen. Een hele verbetering ten opzichte van de synthetische versie. Ik heb deel 1 vergeleken met die van de digitale versie. Het is echter niet mijn smaak, maar dat had u al begrepen.
Mijn werkje ‘Kortjakje’ is natuurlijk geen sonate en is in die zin ook niet vergelijkbaar met uw altvioolsonate, waarin ik inderdaad wat meer strijkwerk op de A- en de C-snaar zou zien. Wanneer die er meer bij betrokken zouden zijn wordt het klankspectrum verbreed en komt de typische altvioolklank veel beter uit de verf. Dan kan het een interessante partij worden wat (nog) meer altviolisten uitnodigt deze Sonate aan hun repertoire toe te voegen.