Dag Annemieke,
Uiteraard, want anders moet ik provocerende meningen voor mij houden.
Positiever geformuleerd: Graag zelfs. Maar niet in het minst door mijn breedsprakigheid, eerst een voorafje.
Ik ben nu 61 jaar. Ik begon vrij jong met viool spelen en naar muziek te luisteren. En dat leidde ook nog eens tot een volkomen uit de hand gelopen verzameling ‘geluidsdragers’. Platen, banden en CD’s, in gewone mensentaal. En dan nader je op een bepaald moment de vaststelling dat je, beginnend bij de Sarasate en Joachim, de meesten wel hebt gehoord. En daar verbind je, in termen van appreciatie, conclusies aan. Die overigens na verloop van tijd deels weer inwisselbaar blijken. Rond mijn vijftiende zwoer ik bij, wat Amerikanen noemen, pyrotechniek. Met Mischa Elman en Fritz Kreisler hoefde je toen bij mij niet aan te komen. Een mening die ik inmiddels volledig heb herzien, maar dit terzijde.
De mens is geneigd het ‘nu’ als de maat der dingen te zien. Want het voorafgaande heeft immers alleen waarde als historisch fenomeen. Toegespitst op muziek houdt dat in dat het musiceren à la nu als norm geldt. Het verleden is hooguit als curiositeit interessant.
Ik ben het daar, je vermoedde het al, niet mee eens. Want het nu kan niet los worden gezien van het voorafgaande. Al heb ik daar, kijkend naar oude schoolfoto’s, soms wat moeite mee
Als ik al mijn luisterervaringen bij elkaar veeg, kom ik tot enkele vaststellingen:
- de variëteit is verdwenen,
- musici krijgen onvoldoende de tijd te rijpen,
- het repertoire is verengd.
Ik kan die opsommingen nog wel verder doortrekken, maar als begin voldoet het wel.
Eerst de variëteit. ‘Ooit’ was sprake van verschillende ‘scholen’. Niet alleen de Russische school, scholen eigenlijk, maar ook de Hongaarse, de Franco-Belgische en de inmiddels volkomen vergeten Duitse vioolschool. En dan bedoel ik beslist niet Spohr. Die leidden allemaal op tot voortreffelijke violisten die echter elk onmiskenbaar de weerslag en het ‘klankbord’ waren van hun ‘school’. Zelfs voor een niet-kenner is er een wereld van verschil tussen Zimbalist, Weisbord, Telmanyi, Thibaud en Wolfsthal.
Die ‘scholen’ zijn verdwenen. Wat resteert is, afgezien van de voormalige Soviet-Unie, de ‘Amerikaanse’ school, lees de voortzetting van de Russische school van Leopold Auer in Amerika. Trefwoorden: Galamian en deLay. Uitkomsten: uniforme technische perfectie en een enorme toonvorming. But you can’t tell one from another. En dat werd de norm.
Wonderkinderen zijn van alle tijden. Een beetje griezelig fenomeen eigenlijk, al die gedresseerde, eh, apen. Een geruststellende gedachte is eigenlijk dat de meeste wonderkinderen als instrumentalist de puberteit niet te boven komen. Want die vanzelfsprekendheid van een achtjarige heeft het erg moeilijk als de jaren des onderscheids en derzelver verleidingen er dreigen aan te komen.
Afgezien van een enkeling (de namen van Yehudi Menuhin. Mischa Weisbord, Josef Hassid en Michael Rabin dringen zich hier op, ofschoon het met allemaal, om verschillende redenen, niet zo goed afliep) zijn wonderkinderen te beschouwen als ‘mechanisch’ musici. Indien voorzien van talent en niet alleen vingers, behoeft dat talent zorg en aandacht. Tijd, kortom. Een van de grootste sopranen van de vorige eeuw, Elisabeth Schwarzkopf, brak eigenlijk pas op haar 38e jaar door. En Klemperer stond ook niet op zijn 18e voor de Kroll Oper.
Helaas is muziek in handen gevallen van de commercie. En die heeft ‘sterren’ nodig. Bij voorkeur elk jaar nieuwe. Een beetje sneu voor de afgeserveerde sterren van vorig jaar, maar zo is het nou eenmaal. Kennelijk.
Laatste aspect (althans in dit verhaal) is de verarming van het repertoire. Decennia lang was sprake van het ‘format’ van de 78-toerenplaat. Dat betekende muziekstukken van enkele minuten. Als metafoor de Kavatine van Raff, zal ik maar zeggen. Met, in sommige gevallen, als onbedoeld (komisch) gevolg dat een adagio in presto eindigde omdat de speeltijd van de plaat niet mocht worden overschreden. Met de komst van de LP en later de CD is dat repertoire van, toegegeven - voor een deel genrestukken, verdwenen. Een tweede punt in dit verband is de toegenomen ‘verserieuzing’ van de muziek. Muziek was niet meer ook leuk of spannend, maar vooral ernstig. Je moest er iets van ‘meenemen’. En dus ging de virtuositeit in de ban. Techniek diende niet meer om het gehoor te verbazen door te laten horen hoe goed je was, maar om het (onspeelbare) vioolconcert van Schönberg te kunnen spelen. Of de mensheid te vervelen met het vioolconcert van Max Reger. Dat, dit voor de volledigheid, niet eens op een LP paste.
Ik herinner mij in dit verband de verhalen van mijn ‘oude’ vioolleraar (ik was toen tien en hij bijna zeventig). Als vioolstudenten aan het koninklijk Conservatorium bezocht men ieder vioolrecital (op het schellinkje). Die werken van ‘voor de pauze’, sonates en andere serieuze dingen, geloofde men wel want na de pauze werd het pas ‘heftig’. Virtuositeit in de vorm van, bij voorkeur, operafantasieën. Want dat was de smaak van die tijd. Paganini in minder tien seconden. Wij weten inmiddels wel beter, natuurlijk. Vandaar dus een gortdroge programmering, eindigend met een ‘eigentijds’ werk, want, zoals gezegd, je moet er iets van meenemen. Een verkoudheid vrees ik, in mijn geval.
En ook orkesten zijn in de fuik van de ‘programmering’ gezwommen. Want welk zichzelf respecterend orkest speelt er nog triviale dingen als de ‘Tovenaarsleerling’ van Dukas of ‘Les Préludes’ van Liszt? Of de Slavische dansen van Dvorak? Voor mijn part de Piet Hein-rapsodie. Of zelfs maar een ouverture? Van Otterloo dorst in de jaren vijftig nog rustig met ‘Fra Diavolo’ of ‘La Muette de Portici’ te beginnen.
En waar leidt die verarming toe? Dat iedereen ‘het’ vioolconcert van Bruch (de goede man schreef er drie), Mendelssohn, Tchaikovsky of Sibelius speelt. Wie speelt er nog Vieuxtemps, Goldmark, Wieniawski, Ernst, Joachim, Sinding of Lipinski? Hoogst geaccepteerd repertoire van vroeger. Als je nog meer namen wilt, zoek maar eens in een oude Peters catalogus.
In het geval dat je je afvraagt wat er met Szeryng is gebeurd, die komt nu.
Szeryng was ook een wonderkind. Leerling van Carl Flesch. Flesch wordt beschouwd als een soort aartsengel van het moderne vioolspel en in die zin is hij ook wereldberoemd. Alleen ……………… noem nou eens één leerling die er uitspringt. Geen een, eigenlijk. Ik haast me er aan te voegen dat dit overigens ook geldt voor alle leerlingen van Heifetz. Carl Flesch was een adembenemend technicus (octaven met vingerzetting) die bij de uitvoering het 1e vioolconcert van Paganini ’s-avonds spontaan heel andere vingerzettingen gebruikte dan ’s-morgens bij de repetitie. Net zo makkelijk. Maar de opnamen van hem die ik ken laten een eigenlijk hele saaie violist horen.
En dat is nou ook mijn bezwaar tegen Szeryng. Technisch perfect, maar het doet, althans mij, helemaal niets. Ik kon mij dan ook heel goed vinden in de karakterisering van Perlman: ‘als ik een perfecte violist hoor maar ik heb geen idee wie het is, is het Szeryng’. En dat hij vervolgens met een repertoire van vijf vioolconcerten de wereld rondreisde (elk jaar Brahms in Scheveningen) zal ik hem niet verwijten want dat doen de meesten. Anno nu.
Klassiek verzuchting: ‘hij/zij heeft zo mooi gespeeld’. Kleurlozer kan het niet. Muziek moet je grijpen, ontroeren, laten lachen & huilen.
Ik noemde hiervoor ‘het vioolconcert’ van Lipinski. In feite is dat het tweede, namelijk het ‘Concerto Militaire’. De meer dan voortreffelijke Duitse violist Breuninger heeft inmiddels alle vier concerten van Lipinski op de CD gezet. En ik ga niet zeggen dat de concerten van Lipinski compositorisch in de buurt komen van bijvoorbeeld Brahms. Maar wel dat een groot musicus ook deze werken voor de luisteraar tot een verrassing kan laten zijn. En dat hij dan ook nog plannen heeft alle zes vioolconcerten van Ysaÿe (die het zelf over zijn jeugdzonden had) uit te brengen, maakt me nog nieuwsgieriger. Voor de goede orde: zij zijn allang opgenomen maar om ‘commerciële’ redenen niet uitgebracht. Want elk jaar opnieuw Bruch, Menelssohn en Tchaikovski is kennelijk wel commercieel. Ik was er al bang voor.
Tweede verzuchting: Hopf zit alleen maar op oorverdovende virtuositeit te wachten. Beetje oppervlakkig type.
Ik geef toe dat ik het erg leuk vind. In de zin van topsport. Ik zie ook niet in wat er fout aan is. ‘Men’ componeerde rond het begin van de 19e eeuw zo. Een aardig voorbeeld is de concertsuite van Tanejev. Een volkomen serieus bedoelde compositie. Maar zo ontaard moeilijk dat alleen David Oistrach er indertijd goed uitkwam. Je wordt ook geconfronteerd met fenomenen als de pianist Cziffra. Prbeer d DVD eens te pakken te krijgen waarop hij van Liszt de ‘Grand galop chromatique’ speelt, dan begrijp je dat een ‘virtuoos’ iets HEEL anders is dan iemand die alle vier delen van het opus één van Cevcik van achteren naar voren kan opzeggen. Een virtuoos is een fenomeen. Iets demonisch. En in tegenspraak tot al die aanstormende talenten die alles kunnen spelen, komen echte virtuozen maar zelden voor.
Is dan virtuositeit nodig? Nou, in ieder geval techniek. Veel techniek. Want muziek die sneuvelt in een gebrek aan techniek is niet om aan te horen. Wij hebben allemaal wel zo’n buurmeisje gehad dat halverwege het cadensje in ‘Für Elise’ de draad kwijtraakte.
Maar mijn mooiste muzikale herinneringen bewaar ik aan musici aan wie je de techniek niet kon aanhoren. Oistrach, Grumiaux en Richter. Clara Haskil. Lili Krauss in Schubert. Want dan gaat het niet meer over vingers, maar over musici met een uitgesproken individualiteit. Ik ben weer terug bij Szeryng. Zeg maar bij ‘af’.
Hopf
:/ :/ :/ :/