Johan,
De krans is de indirecte verbinding en de stapel de directe verbinding tussen boven en onderblad waardoor ze in trilling worden gebracht. Het boekje van Sourène Arakélian houdt een verhandeling over de effecten van de afstemming van de afzonderlijk bladen (bovenblad met ff-gaten en zangbalk). Wanneer modulus #5 van het bovenblad alsook die van de bodem op dezelfde frequentie worden afgestemd treedt er in feite versterking op van een bepaald klankspectrum. Wanneer de bodem lager wordt getuned wordt de toon milder. Hij geeft allerlei voorbeelden van de effecten op het tunen. Maar aan het eind van zijn verhandeling staan ook nog vijf andere zeer belangrijke variabelen, die minstens een even zo grote rol spelen in het verkrijgen van een bepaalde klank. De welving en dikteverdeling zijn daar de twee belangrijkste van.
Sacconi beschrijft kloptonen aan boven- en onderbladen die reeds zijn gelakt, of indien niet gelakt moet alles een halve toon hoger.
Ik heb vele experimenten gedaan met de drie moduli (M#5, M#3 en M#1) en heb de literatuur die hierover is, bestudeerd (o.a. Carleen Hutchins en Jansson) en toegepast. Mijn conclusie is, dat het beste resultaat wordt verkregen door de bladen telkens op hun respons op de kloptoon (en dat is de Mod#5) te onderzoeken en te optimaliseren. Met name de aanwezigheid van boventonen en de nagalmtijd geven mij de informatie die mij zegt waar en hoeveel, nog wat van het blad af moet. Je leert ook precies het moment te detecteren wanneer je moet stoppen, anders zou het blad te dun worden. Maar dat kan ook alleen maar wanneer je weet waarnaar je moet luisteren en dat vergt ervaring en oefening.
Arakélian heeft het ook menigmaal over ‘de tonaliteit van het hout’, wat niets anders wil zeggen dan dat je nog zulke mooie dikteverdelingen kunt hebben uit een boekwerk zoals bijvoorbeeld Sacconi die geeft, maar dat je toch je oren en verstand moet gebruiken. Het gaat namelijk om een stuk(je) hout waarvan de eigenschappen in geen enkel boekwerk beschreven staan. Dat laatste wordt nogal eens vergeten.
Ik heb wel eens een bovenblad gemaakt die ‘volgens de regels’ veel te dik zou zijn, maar waarvan ik vond dat die niet dunner moest. Daar had ik goed aan gedaan want het blad droeg bij tot een uitstekende klank als onderdeel van het geheel.
Bij de vioolbouw gaat het niet om simpel de ‘regels uit te voeren’, want die regels zijn zo algemeen, dat je er (meestal) niet mee uit de voeten kunt.
Ik merk steeds vaker en meer dat het afstemmen van bladen en tunen op zijn retour is: men komt er steeds meer achter dat dat het ook niet altijd is. Er is wel iemand die onderzoek doet naar de moduli, maar dan aan de viool als geheel, dus niet aan afzonderlijke bladen: Martin Schleske. Hij heeft ook een website en gaf daar ook toegang tot een aantal aardige artikelen daarover. Misschien is het nog zo.
Het blijft kunst, violen bouwen, gelukkig maar.