Ik ben al heel jong met het kopen van LP's begonnen. Vervolgens kwamen daar 78-toerenplaten bij en nadien nog CD's. Gezien de inmiddels bereikte hoeveelheden, is sprake van een volstrekte chaos. Maar dit terzijde.
Wellicht wat regressief, maar ik heb, mij beperkend tot violisten, vaak een voorkeur voor instrumentalisten van 'vroeger'. Omdat, naar mijn bescheiden mening, individualisme lang geleden een eigenschap was die noodzakelijk werd geacht. Dit in tegenstelling tot veel hedendaagse violisten. Ik verwijs kortheidshalve naar al die identiek klinkende violisten uit de Galamian-DeLayfabriek. Terwille van de didactische duidelijkheid zet ik het maar wat zwart-wit neer (g)
Naast individualiteit was ook sprake van een ander repertoire: het 'format' van 78-toeren stond namelijk maar een paar minuten muziek toe. Dus afgezien van 'genrestukken' ook het virtuose repertoire. En dan ben ik waar ik het eigenlijk over wil hebben, namelijk het kennelijk in het verdomhoekje geraakt zijn van virtuositeit. Amerikanen hebben het dan over 'pyro-technics'. Overigens niet alleen over het begrip 'moeilijk' want dan is het vioolconcert van Schönberg zo ongeveer de maat der dingen. Dus simpelweg: 'what happened to De Sarasate, Wieniawski, Prume, Ernst en Hubay?'
Ik ben inmiddels opgehouden met naar recitals en concerten te gaan, want het is allemaal zo voorspelbaar en vooral SERIEUS. KLASSIEKE MUZIEK (verkeerde uitdrukking) is blijkbaar tot iets heel ernstigs verworden waarvan je vooral veel moet opsteken. Dus is het menu beperkt tot pak-em-beet Bach, Brahms en het verplichte eigentijdse werk. Ik heb een paar jaar geleden eens de moeite genomen de programma's van een aantal orkesten in Nederland naast elkaar te leggen. De uitkomst was dat tien violisten vier (VIER) concerten speelden.
In de tijd dat Kogan het concours Reine Elisabeth won (1953?) keek niemand er vreemd van op dat hij bij die gelegenheid het eerste vioolconcert van Paganini speelde. Maar de laatste jaren is, getuige het op de tv uitgezonden 'deskundigenberaad', een beetje de stemming ontstaan dat dit 'soort' muziek eigenlijk niet serieus is te nemen. Voor de goede orde: dit concours, zijnde de legitimaris van de Ysaÿe-wedstrijd, is een violistenwedstrijd en geen muziekwedstrijd.
Maar eigenlijk kan ik hetzelfde zeggen over het orkestrepertoire. Dingen als symfonische gedichten, orkestsuites en werken anders dan symfoniën, zijn blijkbaar voorgoed opgeborgen. Voor Les Préludes of slavische dansen ben je aangewezen op uitsluitend de CD-speler.
Let wel, dit is geen pleidooi tegen Mahler of Shostakovich of Penderecky of wie dan ook. Maar ik heb wel grote bezwaren tegen de 'ernst' die over de klassiek muziek is neergedaald. Want een lachje kan er niet meer af.
Bij pianisten is overigens sprake van een kentering. Zie Volodos. En er zijn tegenwoordig zelfs (hele goeie) pianisten die zich in het openbaar wagen aan de bewerking van Godowsky van de etudes van Chopin. Het kan dus wel. Nu violisten nog. En dan wil ik wel een uitzondering maken voor violisten met een wat minder orthodoxe repertoirekeus als Ricci, Rosand en Kremer.
Hopf
Wellicht wat regressief, maar ik heb, mij beperkend tot violisten, vaak een voorkeur voor instrumentalisten van 'vroeger'. Omdat, naar mijn bescheiden mening, individualisme lang geleden een eigenschap was die noodzakelijk werd geacht. Dit in tegenstelling tot veel hedendaagse violisten. Ik verwijs kortheidshalve naar al die identiek klinkende violisten uit de Galamian-DeLayfabriek. Terwille van de didactische duidelijkheid zet ik het maar wat zwart-wit neer (g)
Naast individualiteit was ook sprake van een ander repertoire: het 'format' van 78-toeren stond namelijk maar een paar minuten muziek toe. Dus afgezien van 'genrestukken' ook het virtuose repertoire. En dan ben ik waar ik het eigenlijk over wil hebben, namelijk het kennelijk in het verdomhoekje geraakt zijn van virtuositeit. Amerikanen hebben het dan over 'pyro-technics'. Overigens niet alleen over het begrip 'moeilijk' want dan is het vioolconcert van Schönberg zo ongeveer de maat der dingen. Dus simpelweg: 'what happened to De Sarasate, Wieniawski, Prume, Ernst en Hubay?'
Ik ben inmiddels opgehouden met naar recitals en concerten te gaan, want het is allemaal zo voorspelbaar en vooral SERIEUS. KLASSIEKE MUZIEK (verkeerde uitdrukking) is blijkbaar tot iets heel ernstigs verworden waarvan je vooral veel moet opsteken. Dus is het menu beperkt tot pak-em-beet Bach, Brahms en het verplichte eigentijdse werk. Ik heb een paar jaar geleden eens de moeite genomen de programma's van een aantal orkesten in Nederland naast elkaar te leggen. De uitkomst was dat tien violisten vier (VIER) concerten speelden.
In de tijd dat Kogan het concours Reine Elisabeth won (1953?) keek niemand er vreemd van op dat hij bij die gelegenheid het eerste vioolconcert van Paganini speelde. Maar de laatste jaren is, getuige het op de tv uitgezonden 'deskundigenberaad', een beetje de stemming ontstaan dat dit 'soort' muziek eigenlijk niet serieus is te nemen. Voor de goede orde: dit concours, zijnde de legitimaris van de Ysaÿe-wedstrijd, is een violistenwedstrijd en geen muziekwedstrijd.
Maar eigenlijk kan ik hetzelfde zeggen over het orkestrepertoire. Dingen als symfonische gedichten, orkestsuites en werken anders dan symfoniën, zijn blijkbaar voorgoed opgeborgen. Voor Les Préludes of slavische dansen ben je aangewezen op uitsluitend de CD-speler.
Let wel, dit is geen pleidooi tegen Mahler of Shostakovich of Penderecky of wie dan ook. Maar ik heb wel grote bezwaren tegen de 'ernst' die over de klassiek muziek is neergedaald. Want een lachje kan er niet meer af.
Bij pianisten is overigens sprake van een kentering. Zie Volodos. En er zijn tegenwoordig zelfs (hele goeie) pianisten die zich in het openbaar wagen aan de bewerking van Godowsky van de etudes van Chopin. Het kan dus wel. Nu violisten nog. En dan wil ik wel een uitzondering maken voor violisten met een wat minder orthodoxe repertoirekeus als Ricci, Rosand en Kremer.
Hopf