Koen,
Ik ben de mening toegedaan, dat het totale gewicht van een instrument (of viool in dit geval) veel minder zegt dan het gewicht van de afzonderlijke bladen. Wanneer je bij een bovenblad op dikte bent en de grondtoon zit ergens bij de E, dan zit je goed. Bij het achterblad (=bodem) zal een gemiddelde dikte van 4,5 mm meestal wel leiden tot een eigentoon die zich beweegt rondom de Fis. Waar en hoe het blad dient te worden aangeslagen staat uitvoerig beschreven en afgebeeld in de op StrijkersForum ter beschikking staande
literatuur.
Een hardere houtsoort zal een hogere eigentoon opleveren, een zachtere houtsoort een lagere. Er is onder diverse bouwers verschil van mening of de bladen echt werden afgestemd of dat het opwekken van de eigentoon een middel c.q. methode was om de dichtheid te bepalen en hoorbaar te maken.
Maar ik zou –en dat geldt het meest voor het bovenblad- de dikte laten prevaleren. Dat moet ook wel want stel dat de eigentoon bij een gemiddelde dikte van 3 mm (bovenblad) eigenlijk nog veel te hoog is? Dan zou het blad dus nóg dunner moeten en de vraag is of dat wel kán! Hier bedienen veel bouwers zich ook van het met de hand buigen van het blad in diverse richtingen: het ‘twisten’ en ‘roteren’ wat ook staat beschreven in het eerder genoemde artikel. Daaruit kan informatie verkregen worden over de stijfheid van het blad. Die informatie moet door ervaring worden verkregen en lukt meestal niet bij een eerste blad. Maar je moet er een gevoel voor ontwikkelen: gewoon buigen en ervaren hoe dat voelt.
Nu kan het ook nog zijn dat bijvoorbeeld het achterblad een veel te hoge eigentoon heeft, maar die kan niet dunner gemaakt worden omdat er dan heel andere problemen gaan optreden. Dan zij er een tweetal mogelijkheden die hiervoor kunnen compenseren:
1) de hoogte van de krans aanpassen: hoger maken
2) de f-gaten smaller maken, zodat de opening een kleinere oppervlakte krijgt.
Een relatief dunne bodem zal een wat donkerder (misschien wel té donker) klankkarakter genereren. Een bodem moet toch in het midden niet dunner zijn dan 4 mm en bij de hohlkehle niet dunner dan 2,5 mm om problemen te voorkomen.
Wanneer je bent gekomen op een punt dat er niets meer wordt verandert, noteer je de eigentoon, dikte en als het kan de dikteverdeling op kenmerkende plekken. Dit kan bij het volgende instrument weer tot voordeel dienen.
Frits